Bibliotheken Tentoonstellingen Bilderdijk

‘Ō bloem der steden’. Bilderdijk en Leiden

Samenstelling: Rick Honings en André Bouwman

De volgende onderwerpen komen aan bod:

  Inleiding
1. Bilderdijks leven in vogelvlucht
2. Bilderdijk en de liefde
3. Ontluikend contact met de stad Leiden
4. Leiden 1780-1782: Bilderdijk als student
5. Bilderdijk als oranjeklant
6. Leiden 1806-1810: Bilderdijk onder Lodewijk Napoleon
7. De buskruitramp van 1807
8. Leiden 1817-1827: Bilderdijk als privaatdocent
9. Vrienden en vijanden in Leiden
10. Kwelling en doodsverlangen
11. Bilderdijk, een veelzijdig talent
12. Bilderdijk-activiteiten in Leiden
13. Bilderdijkiana in groot formaat
14 Bilderdijk in teksten

 


3. Ontluikend contact met de stad Leiden 

Vanaf 1776 gaf Bilderdijk steeds meer blijk van zijn enorme dichttalent. In dat jaar deed hij voor het eerst mee met een dichtwedstrijd van het Leidse genootschap ‘Kunst wordt door Arbeid verkreegen’. Hij schreef een vers over de invloed van de dichtkunst op het staatsbestuur, en sleepte de eerste prijs, in de vorm van een gouden erepenning, in de wacht. De bekroning zorgde ervoor dat de jonge dichter in letterkundige kringen bekendheid verwierf met zijn werk. Sedertdien reisde hij regelmatig naar Leiden, waar hij vergaderingen bijwoonde van het dichtgenootschap, en correspondeerde hij met enige vooraanstaande letterkundigen. In 1779 publiceerde hij voor het eerst een dichtbundel, in een beperkte oplage, die in 1781 voor het grote publiek verscheen.




3.1. W. Bilderdijk, De invloed der dichtkunst op het staetsbestuur. [Z.pl.] 1776. [709 F 36].
––  In dit vers, bestemd voor het Leidse dichtgenootschap, bezingt Bilderdijk de stad Leiden: ‘Gij, roem der Nederlanden! / Gij, Leyden, spoorster van mijn’ zang / Betemster van Geweetensdwang, / Gij wijst me een haven aan, en hoedt mijn kiel voor stranden!’

3.2. Portret van Juliana Cornelia de Lannoy. Stippelgravure, 1780. [PLANOL 2 A 1: 25/151].
––  Dankzij zijn dichtactiviteiten in Leiden kwam Bilderdijk onder meer in contact met letterkundigen als Rhijnvis Feith en Juliana Cornelia de Lannoy. De laatste was een befaamde dichteres, die reeds enkele grote werken op haar naam had staan.

3.3. Brief van W. Bilderdijk aan Juliana Cornelia de Lannoy, gedateerd 9 augustus 1780. Manuscript. [LTK 1607].
––  Bilderdijk was verheugd over zijn vriendschappelijke omgang met De Lannoy. Hij stuurde haar vele levendige brieven, die zij hartelijk beantwoordde. Eén ervan bevat schertsende passages over ‘Pegaasje’, het overleden schootkatje van de dichteres.

3.4. W. Bilderdijk, Mijn verlustiging. Amsterdam 1779.
[1023 F 28].
––  Deze dichtbundel gaf Bilderdijk uit in een beperkte oplage van (vermoedelijk) vijftien exemplaren. Pas in 1781 verscheen het werk voor het grote publiek. Het bevat tal van erotische gedichten, die door sommige critici onzedelijk werden gevonden.

3.5. W. Bilderdijk, Antwoord op de vraag: hebben de dichtkunst en welsprekendheid verband met de wijsbegeerte, en welk nut brengt dezelve aan de eene en andere toe? [Z.pl.] 1780. [1023 A 6].
––  In 1780 werd deze verhandeling, over een in 1777 door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde opgegeven prijsvraagonderwerp, bekroond met een gouden medaille.

 

 
vorige pagina volgende pagina