Bibliotheken Tentoonstellingen Duistere machten

DUISTERE MACHTEN

Gestalten van het kwaad in de wereld van de islam

Een tentoonstelling van recente boeken uit de Arabische wereld, Turkije en Indonesië in de Leidse Universiteitsbibliotheek,
6 december 2000 - 29 januari 2001

Samenstelling: Arnoud Vrolijk & Jan Just Witkam


aff

Diakritische tekens worden niet door alle browsers correct weergegeven. Raadpleeg bij twijfel of foute weergaven de volledige catalogus. Hiervoor hebt u Acrobat Reader nodig; deze software is vrij verkrijgbaar op  internet.
INHOUD Volledige catalogus tekst
(pdf file 240kb)

INHOUD

Duistere machten

  1. De hellestraf als sanctie

  2. Satan en zijn werken

  3. Geesten en magie

  4. De Antichrist

  5. De koran als afweermiddel

  6. Het secularisme en het modernisme

  7. Verboden genotsmiddelen

  8. Vrouwen

  9. Islamitische dictators

  10. Terrorisme

  11. Buitenlandse ideologieën

  12. De Satanic Verses

  13. Het joodse gevaar

  14. Sex als zionistisch wapen

  15. De vertalingen van Mein Kampf

Register van auteurs, editeurs, vertalers,
illustratoren, plaatsen en uitgeverijen.


DUISTERE MACHTEN

Wie het aanbod van boeken in de islamitische wereld in de onofficiële circuits zoals boekenstalletjes, straatverkoop en religieuze boekdepots volgt wordt vrijwel direct getroffen door de veelheid aan werken die niet anders dan als waarschuwend en strijdbaar kunnen worden omschreven. De auteurs van deze boeken en pamfletten definiëren een vijand die zich van alle middelen bedient om zijn sinistere doelen te bereiken, en die door de auteurs vervolgens met de meest uiteenlopende argumenten wordt bestreden. Staat de islamitische wereld bloot aan vele interne of externe bedreigingen, of zijn de gevoelens van onzekerheid en onveiligheid er meer wijdverbreid dan elders? De veelheid van strijdbare publicaties is te zeer in het oog lopend om te negeren of als onbeduidend af te doen.

De boeken en boekjes die in deze tentoonstelling worden getoond zijn in de afgelopen twintig jaar verzameld, vooral tijdens de acquisitiereizen die regelmatig door medewerkers van het Legatum Warnerianum, de Oosterse afdeling binnen de Leidse Universiteitsbibliotheek, worden gemaakt in landen als Egypte, Koeweit, Turkije en Indonesië. De reguliere boekhandel, die met zijn keurig gedrukte fondslijsten een internationale clientèle bedient, blijkt veel minder geschikt te zijn als bron van dit soort publicaties. Misschien menen de boekhandelaren dat er in de westerse wereld geen vraag naar is, misschien hangt men ook liever de vuile was niet buiten. Op jaarlijkse evenementen als de Cairo International Bookfair is alles echter vrij makkelijk verkrijgbaar. [1]

Na al die jaren van verzamelen is nu het ogenblik aangebroken om zowel een tussentijdse balans op te maken als te trachten enige ordening aan te brengen in de thema’s die deze publicaties van vaak zeer uiteenlopende aard bestrijken. Dat is nog niet zo eenvoudig want de auteurs van deze werken en werkjes over het Kwaad laten vrijwel geen tegel ongelicht. Alles, maar dan ook alles, weten zij met al het andere in verband te brengen, zoals blijkt uit een boek waarin de Antichrist, UFO’s, de Bermuda Triangle en de internationale joodse samenzwering als onderdelen van één groot complot beschouwd worden (nr. 23).

Het is een literatuur van gedreven auteurs wie de schellen van de ogen zijn gevallen en die een inzicht hebben gekregen in de complexiteit, de veelomvattendheid en alomtegenwoordigheid van het Kwaad dat hun wereld bedreigt. Met hun geschriften proberen zij hun land- en geloofsgenoten te waarschuwen tegen het gevaar dat van alle kanten loert. Soms klinkt er een Cassandra-achtige wanhoop in hun stem. Ziet dan echt niemand de ramp naderen? Het feit dat deze auteurs, maar vooral ook hun uitgevers, van de opbrengst van deze publicaties leven heeft bovendien tot gevolg dat de stroom van boekjes over allerlei grote en kleine misstanden niet ophoudt.

De harde concurrentie onder de brengers van deze onheilsprofetieën maakt dat de omslagen van de boeken bijzonder sprekend, op het schreeuwerige af, ontworpen zijn. Duivels en demonen, compleet met hoorntjes en slagtanden, staren de lezer sinister aan met bloeddoorlopen ogen, zondaars in de Hel schreeuwen het uit van de pijn, een slang knaagt aan vrouwenlichamen, davidssterren werpen zware slagschaduwen, en overal is er vuur en bloed. 

Voor de samenstellers van een tentoonstelling die een publiek tot doelgroep heeft dat grotendeels het Arabisch niet machtig is, is het wel heel verleidelijk om de selectie van de exponaten te laten bepalen door de picturaal meest in het oog lopende geschriften. En inderdaad hebben zij vaak niet aan die verleiding kunnen weerstaan. Zo heeft het uiterlijk van een boek, dat nu juist dat deel is waarop de auteur nauwelijks of geen invloed kan uitoefenen, vaak (maar niet altijd!) gediend als doorslaggevend argument voor opname in de selectie. Dat daarvan een zekere eenzijdigheid en overdrijving het gevolg werd leek de samenstellers aanvaardbaar. Met nadruk zij dus gesteld dat dit maar een selectie is van een veel groter corpus van onthullende en waarschuwende teksten, die er overigens niet allemaal even spannend uitzien.

De goedkope, schreeuwerige omslagen geven wel een indicatie van de doelgroep, de straatarme, semi-analfabete bevolking van de sloppenwijken van miljoenensteden als Cairo of Jakarta. Dat tekent dan ook meteen het perspectief voor de Nederlandse lezer. De maatschappelijke onderlaag die in Nederland marginaal is, maakt in een land als Egypte de meerderheid van de bevolking uit. Dat het slecht gaat met deze mensen hoeft niemand hun te vertellen, wel is er behoefte aan een antwoord op de vraag hoe dit allemaal komt. De auteurs en uitgevers die op deze vraag een antwoord willen geven zijn ook niet zonder meer marginaal te noemen. Natuurlijk zijn er de devianten in de marge, en die zijn nu eenmaal altijd interessanter om te bekijken en te bestuderen dan de kleurloze middelmaat. Zij zijn de idealisten die trends uitzetten, waarvan de meeste niet aanslaan en snel weer vergeten worden, maar waarvan toch altijd wel iets blijft hangen. Andere auteurs behoren tot wat in Nederland het ‘maatschappelijke middenveld’ genoemd wordt: universiteits-professoren en geestelijke leiders. Zij opereren op het snijvlak tussen de machthebbers en de machteloze bevolking. Enerzijds dienen zij oog te hebben voor de frustraties en gevoelens van onmacht en onzekerheid van hun medeburgers, anderzijds zijn zij voor hun positie afhankelijk van de machthebbers.

Er lijken maar weinig gebieden te bestaan waar de omstandigheden zo complex zijn als in het Midden-Oosten. In geen der landen van die regio is er sprake van een behoorlijk en rechtvaardig bestuur of kunnen de burgers zonder aanziens des persoons hun democratische rechten uitoefenen. Vrijheid van drukpers zoals wij die kennen (toetsing aan de wet achteraf) is er nergens. Doodstraf en verminking worden regelmatig toegepast als strafsanctie en het doden van medeburgers op grond van politieke en sociale overwegingen is in verscheidene landen een gewoon verschijnsel. Activiteiten van verklikkers van de politie en van de medewerkers van, elkaar niet zelden beconcurrerende, veiligheidsdiensten zijn in brede lagen van de bevolking waar te nemen. Zij zijn een realiteit in het dagelijks bestaan, een ongerief dat men niet van zich af kan schudden.

De controle over de drukpers betekent wel dat alle tentoongestelde publicaties door de overheid in het betreffende land zijn toegelaten. In die context is het onmogelijk om kritisch over het eigen regime te schrijven. Op de regimes van andere islamitische landen mag soms wèl kritiek geleverd worden, zoals blijkt uit twee Egyptische boeken waarin Hafez al-Asad als bloedbevlekte tiran wordt afgebeeld en Saddam Husayn de ‘Dief van Bagdad’ genoemd wordt (nrs. 42, 44).

De frustraties van de bevolking vinden regelmatig hun uitweg in uitbarstingen van terreur. Behalve de contra-terreur van de massa-arrestaties, martelingen en detentie zonder vorm van proces maakt de overheid ook gebruik van de auteurs in het maatschappelijke middenveld. De bekende Egyptische intellectueel `Abd al-`Azim Ramadan kon een uitgebreide studie laten verschijnen bij de staatsuitgeverij over de talrijke gewelddadige fundamentalistische groeperingen in Egypte (nr. 45), en naar aanleiding van de moord op achtenvijftig westerse toeristen bij Luxor in 1997 schreven twee auteurs van onverdacht conservatieve snit een boek waarin zij het gebruik van politiek geweld fel veroordelen (nr. 48).

Het valt op dat de meeste pamfletten en boeken uit Egypte komen, met Beiroet als goede tweede. Dat is enerzijds het gevolg van het feit dat daar so-wie-so de meeste publicaties vandaan komen en vandaar over de gehele Arabische en islamitische wereld worden verspreid. Cairo en Beiroet zijn daarom de voornaamste plaatsen van herkomst voor de hier tentoongestelde stukken. Toch overheerst de indruk dat veel werken vooral voor de locale, Egyptische, markt zijn geproduceerd. In andere landen wordt een zelfde concentratie van activistische literatuur van deze aard eigenlijk niet aangetroffen.

In een ander deel van de islamitische wereld is de olierijkdom soms een middel gebleken voor het uitoefenen van invloed op de wereldpolitiek, en sommige van de hier getoonde boekjes behandelen dit thema. De keerzijde van de aanwezigheid van minerale rijkdommen in het Midden-Oosten is het gebrek aan impulsen tot economische en sociale ontwikkeling. ‘Het geld komt toch wel binnen’, net zoals de Nederlandse economie zich voor een niet onbelangrijk deel afhankelijk heeft gemaakt van de toevallig aanwezige (en over enige tijd uitgeputte) voorraad aardgas. Niks poldermodel, het geld stroomt toch wel binnen, dus waarom nog veel moeite doen? De Nederlandse economie drijft niet op de export van aardgas alleen, maar in de meeste landen van het Midden-Oosten is de minerale rijkdom de voornaamste bron voor buitenlandse valuta. Intussen is de kapitaalvlucht uit het Midden-Oosten enorm, en in zijn oratie heeft Marcel Kurpershoek terecht Londen genoemd als het nieuwe cultureel-politieke centrum van de Arabische wereld. [2]  Het is een centrum waar ook een pecking order is tussen bazen en baasjes, waar wederzijdse pesterijen tussen de groepen van culturele en politieke ballingen aan de orde van de dag zijn. Het wordt zeker niet alleen door idealistische democraten bewoond, laat daar geen misverstand over bestaan, maar de meeste belemmerende omstandigheden van het Midden-Oosten zelf zijn er afwezig.

Een stad als Londen is het toevluchtsoord geworden voor diegenen uit het Midden-Oosten die het zich kunnen veroorloven, hetzij om koelte te zoeken tijdens het zomerseizoen, hetzij voorgoed. Toen Saddam Hoesein in de zomer van 1990 Koeweit binnenviel en bezette was dat inzoverre een slecht getimede overval omdat vrijwel de gehele elite van Koeweit op dat moment buitenslands was. Zo kon deze direct een inspanning leveren die moest leiden tot de herovering van het emiraat op de Irakese agressor  (nr. 43).

Voor de schrijvers van waarschuwende boodschappen geldt dat ellende altijd een oorzaak heeft. Als het de mens slecht gaat heeft hij het erop de een of andere manier zelf naar gemaakt. Door zijn morele zwakheid of onwetendheid wordt de mens een willig slachtoffer van het Kwaad, en het is de taak van de auteurs om waarschuwend en vermanend op te treden. In een recente publicatie uit mystiek-islamitische hoek wordt, bijvoorbeeld, kort verklaard waarom het met prinses Diana niet anders heeft kunnen aflopen dan ook gebeurd is. [3] Zij heeft zich namelijk niet gehouden aan verscheidene belangrijke regels van de islamitische wet. De auteur, Sheikh Nazim al-Haqqani, een Naqshbandi soefi die door zijn volgelingen als een levende heilige wordt beschouwd noemt ze op: prinses Diana heeft haar lichaam niet volgens de regels bedekt; zij was samen met een man met wie zij niet was getrouwd; zij had geen wijn moeten drinken; zij wist geen onderscheid te maken tussen goede en verkeerde handelingen. Het verschrikkelijke gevolg, de dodelijke crash in een Parijse verkeerstunnel, is niet meer dan wat haar logischerwijs moest overkomen. Dat zelfs de Al-Fayed miljarden haar lot niet hebben kunnen veranderen moet voor iedereen een les zijn, en tegelijkertijd ook een bewijs van Gods almacht. Het is een veel voorkomende vorm van redeneren, en de auteurs van de hier getoonde werken gebruiken deze in alle mogelijke variaties en toonaarden.

De aansporing aan de gelovigen om toch vooral op correcte manier te leven, is een andere mogelijkheid om te proberen de kwaliteit van het bestaan te verbeteren. Een eindeloze rij pamfletten en boekjes over vele aspecten van het leven volgens de regels van de islam is het gevolg. Van regels voor het correct verrichten van het gebed, tot middeleeuwse leerdichten over kwesties van erfrecht, verhandelingen over de kledingvoorschriften voor mannen en vrouwen, over de islamitische keuken, over gezondheid en genezing voor de regels van de profeet Mohammad, over islamitische economie, enzovoort. Het is werkelijk te veel om op te noemen, en jammer genoeg ook teveel om allemaal te verzamelen.

Als de moslims nu maar volgens de heilige wet zouden leven, dan zou het hun niet zo slecht gaan, is een veel gehoorde mening. Het probleem is alleen dat er niet een eenvoudige islamitische wettekst is die van toepassing verklaard kan worden. De islamitische wet bestaat uit een corpus van van vele honderden gezaghebbende handboeken, commentaren, supercommentaren en glossen, waarin ieder het zijne kan vinden. De experimenten om in een land de islamitische wet in te voeren mislukken daarom vrijwel altijd.

De auteurs dreigen letterlijk met Hel en Verdoemenis om hun waarschuwingen kracht bij te zetten, en tal van publicaties tonen met een macaber gevoel voor detail de kwellingen die de zondaars en ongelovigen in de Hel ondergaan: hoe zij eeuwig dorst lijden en branden in eeuwige vlammen en, o ironie, hoe zij gedwongen worden toe te kijken hoe de Gelukzaligen leven in het Paradijs (nrs. 1-4a).

Verschillende van de waarschuwende en aansporende teksten die nu ook nog in het Midden-Oosten circuleren dateren uit de Middeleeuwen. De omstandigheid dat zij in een soort Arabisch geschreven zijn dat maar weinig verschilt van het moderne standaard-Arabisch maakt deze werken gemakkelijk toegankelijk voor een breed publiek. Verscheidene werken van de polygraaf Ibn Qayyim al-Ğawziyya (1292-1350) beleven druk op druk. In deze tentoonstelling zijn er drie opgenomen. Eén tekst behandelt het thema van de corrumperende invloed van Satan op de mensheid (nr. 5), een andere geeft aanwijzingen voor het vervaardigen van amuletten als bescherming tegen Satan (nr. 6). 

Sommige van de hier getoonde pamfletten hebben een uitgesproken eschatologisch karakter, met hun verwijzingen naar de beloofde verschijning van de Mahdi en Antichrist (nrs. 21-24, 35). Het is niet onmogelijk dat de komst van het nieuwe millennium hier mede debet aan is. Dan is misschien nu het wachten op de publicaties waarin de canard van de millennium bug wordt verklaard in termen van een wereldcomplot. Misschien zijn gebruik van computer en internet in de Arabische wereld zo weinig ontwikkeld, dat verwijzingen naar de wereld van cyberspace nog geen deel uitmaken van het repertoire van al deze onheilsprofeten. Het aantal islamitische websites beleeft echter op dit ogenblik een exponentiële groei, en nu al kunnen tal van virtuele pamfletten tegen allerlei schrijnende misstanden worden opgeroepen. Maar ook zonder de mogelijkheden en gevaren van cyberspace is de wereld al een buitengewoon gevaarlijke verblijfplaats. De verleidingen van Satan zijn veelvuldig, en de argeloze gelovige die eraan toegeeft wachten vreselijke straffen.

De meest klassieke bron en normgevende tekst van de islam is natuurlijk de koran, die voor de moslims het onveranderlijke woord van God zelf is. Wanneer in de koran melding wordt gemaakt van de djinns, een soort geesten of demonen, dan kan ook nu geen moslim aan het letterlijke en fysieke bestaan van deze wezens twijfelen. Dus wanneer er boeken worden geschreven (bijvoorbeeld nr. 12) over de gevaren van de omgang, of zelfs huwelijken, tussen mens en djinn, dan is dat een realiteit waarover niemand lichtvaardig of ridiculiserend mag spreken. Het is geloof, geen bijgeloof.

De geesten en demonen, die zich op volstrekt onvoorspelbare wijze van de mens kunnen meester maken, vormen een constante en reële bedreiging voor de geestelijke en lichamelijke gezondheid van de gelovigen. Wat dat betreft is er maar weinig veranderd sinds E.W. Lane het hoofdstuk ‘Superstition’ in zijn beschrijving van het pre-moderne Cairo van 1833-1835 aanving met de woorden: ‘The Arabs are a very superstitious people; and none of them are more so than those of Egypt ...’. [4] Wel verzetten de meeste auteurs zich tegen populaire magische rituelen als geestenbezwering. Het meeste baat heeft men bij het uitspreken van bepaalde passages uit de Koran (zie bijvoorbeeld nrs. 13-14, 16). Zelfs kan de Koran volgens sommigen gebruikt worden om kanker te genezen. Het dagelijks oplezen van een aantal geselecteerde passages kan de gevreesde ziekte doen verdwijnen. Helpt het niet, dan is dat Gods wil (nr. 27).

Drank en drugs zijn altijd een gevaar geweest in de islamitische maatschappij, maar de strijd tegen drugs is altijd moeilijker geweest omdat er geen expliciet koranisch verbod op rust. Een publicatie uit 1985 grijpt terug op een verzameling juridische opinies van de middeleeuwse Syrische auteur Ibn Taymiyya (1263-1328), die in zijn tijd strijd voerde tegen allerlei nieuwlichterijen (nr. 33).

De promiscuïteit van de vrouw is een groot risico voor het zielenheil van de man. Daarom staat de vrouw volgens de regels van de orthodoxe islam gedurende haar gehele leven onder curatele, eerst van haar vader, later van haar echtgenoot en diens mannelijke verwanten. Aan hen is de taak om te waken over haar huwelijkstrouw en om haar hang naar goedkope pleziertjes zoals kleding en parfum in toom te houden. Dat deze controle niet waterdicht kan zijn blijkt uit een uitspraak van de profeet Mohammed, volgens welke de Hel voornamelijk door vrouwen bewoond wordt (nrs. 36-40).

De tot nu toe geschetste verschijningsvormen van het Kwaad hebben vooral te maken met de islamitische wereld an sich: het gebrek aan rechtzinnigheid, de zwakheid van de mens in het algemeen en de schadelijke invloed van ontastbare wezens als de duivel en de djinns. Echter, de islamitische wereld strijdt niet alleen tegen het Kwaad van binnenuit. Een complicerende factor is het bestaan van een vijandige buitenwereld, die zich niet alleen in materiële, maar ook in geestelijke zin meester tracht te maken van de islamitische wereld.

Het gevaar van het atheïstische communisme is inmiddels bedwongen (nrs. 49-50), maar de volstrekt amorele westerse wereld met zijn technologische voorsprong is nog steeds een tegenstander van formaat. Twee publicaties ontmaskeren de ondermijnende activiteiten van christelijke zendelingen en missionarissen (nrs. 51-52). Hoe kunnen zij proberen een geloof te verbreiden dat in de westerse wereld zelf bijna failliet is?

Het secularisme of religieuze modernisme is een groot gevaar, vooral als het binnen de islamitische wereld zelf aanhangers vindt. Een boek, geschreven door een medewerker van de Saoedische Muslim World League, richt zich onder meer tegen de Egyptische islamoloog Nasr Abu Zayd, die na bedreigingen tegen hem en zijn vrouw de wijk moest nemen naar Nederland (nr. 29).

Een veel bekender voorbeeld van een verrader uit eigen kring is de Britse auteur Salman Rushdie, die met de publicatie van zijn Satanic verses, nu inmiddels al weer twaalf jaar geleden, de woede en afkeer van de islamitische wereld over zich afriep. In een boek van de Zuid-Afrikaanse islamitische prediker Ahmed Deedat staat de Arabische tekst van de beroemde Fatwa van imam Khomeini (nr. 53). Het blijkt een korte verklaring te zijn waarin Rushdies leven verbeurd verklaard wordt, zonder de uitgebreide theologische argumentaties waarmee fatwa’s (religieus-rechtelijke opinies) gewoonlijk doorspekt zijn, voor de kenners van het islamitisch recht wat teleurstellend.

De verleidingen van de geïmporteerde westerse technologie zijn formidabel. Wat televisie, radio, en de cultuur van video en muziekcassettes aan verwoestingen en demoralisering in het islamitische gezin kunnen aanrichten wordt door de onheilsauteurs breed uitgemeten (nr. 34). Een Egyptisch boek uit 1991 bevat een Middeleeuwse tekst tegen het maken van muziek, omdat dat de aandacht van de gelovigen van belangrijker zaken wegneemt. De afbeelding van een trompet en een elektrische gitaar op het omslag maken een wat anachronistische indruk (nr. 32). Dat in een andere context een auteur op het gevaar wijst dat de Israëlische muziekindustrie de authentieke Arabische muziek in gevaar brengt, hoeft niet in tegenspraak te zijn met de leer van de algehele onwenselijkheid van de muziek (nr. 66).

Alle tot nu toe genoemde vormen van kwaad, zowel intern als extern, lijken samen te komen in Israël, de joodse staat die in 1948 met veel geweld werd gegrondvest op de puinhopen van het Britse koloniale rijk. Het probleem van het bestaan van dit corpus alienum, met alle internationale politieke complicaties van dien, geeft het gebied nog een extra sensitiviteit, niet alleen voor de westerse krantenlezer en televisiekijker, maar ook en vooral voor de bewoners zelf van de regio, die zich voortdurend op vernederende wijze geconfronteerd zien met hun machteloosheid. Welke vormen dat kan aannemen in de marginale publicaties die het onderwerp van ‘duistere machten’ zijn, kan gezien worden aan de vele publicaties die facetten van het ‘joodse gevaar’ behandelen.

De koran zelf bevat een vrij groot aantal passages waaruit de vijandschap met de joden blijkt. In de vroege geschiedenis van de islam is dit te herleiden tot de afwijzing door de joden van Medina van de zending van de profeet Mohammad. Het gevolg is dat in die tijd openbaringen op hem zijn neergedaald met een uitgesproken anti-joodse teneur. Door de onveranderlijke aard en integrale toepassing van de koran als normgevende tekst zijn deze passages gemeengoed geworden onder de gelovigen.[5] Deze heilige teksten bepalen mede de toon die door veel anti-joodse Arabische en Turkse auteurs in hun pamfletten wordt gebruikt (vooral nrs. 56-67). Juist vanwege de koranische autoriteit kunnen zulke teksten niet naar de vereisten van politieke correctheid worden verhuld. Veel van de pamflettisten zijn dan ook niet bereid zich naar Europese en Noord-Amerikaanse mode politiek correct uit te drukken en een onderscheid te maken tussen joden en zionisten. Er is geen sociale controle, zoals bij ons, die het schrijven tegen joden onbeschaafd maakt en het schrijven tegen zionisten minder onbeschaafd. Gesanctioneerd door de talrijke anti-joodse passages in de koran hoeft geen enkele moslim-schrijver zich aan deze westerse conventies te storen.

Veel ellende en ongeluk in de regio wordt geweten aan de alomvattende joodse machinaties en oppermachtige zionistische lobbies, een complex van ‘bovenbazen’ waaronder ook de vrijmetselarij en de Rotary begrepen worden. Paradoxaal genoeg is misschien juist daardoor de staat Israël een belangrijke factor van eendracht binnen de Arabische wereld geworden. Hoe dit ook zij, het is een feit dat een relatief groot aantal anti-joodse en anti-Israëlische pamfletten circuleert. Aan de buitenkant van de boeken vallen de verschillende antisemietische stereotypen direct op, de inhoud is ook vrij voorspelbaar, en niet zelden eindigen ze met een oproep van de auteur om de heilige plaatsen in Jeruzalem te bevrijden.

Een drietal boekjes, afkomstig van de straathandel in Cairo, toont aan hoe de ‘zionistische entiteit’ gewetenloos misbruik maakt van de zwakheid des vlezes van de Arabische man. Speciale, door de Mossad getrainde sex-agentes verleiden Arabische politieke leiders om hen daarna te chanteren, en verspreiden aids onder de moslims als onderdeel van een demoralisatiecampagne (nrs. 65-67).

Een exponent van het anti-zionisme in de islamitische wereld is de voortdurende populariteit van Adolf Hitler, iets wat in westerse ogen een wansmakelijke en zelfs weerzinwekkende indruk maakt. Het feit dat Hitler miljoenen joden liet vermoorden is in de islamitische wereld niet tot in de details bekend, misschien ook omdat men er in het onderwijs weinig woorden aan vuilmaakt. Wat blijft hangen is het vage idee ‘dat Hitler tegen de zionisten gestreden heeft’, en daarmee heeft hij de status van held verdiend. Bovendien weet vooral de jeugd dat het roepen van ‘Hitler, Hitler!’ in de westerse wereld als bijzonder pijnlijk ervaren wordt, en dat is mooi meegenomen. Een ander aspect is dat Hitler oorlog heeft gevoerd tegen Groot-Brittannië en Frankrijk, de gehate koloniale machthebbers. Vertalingen van Mein Kampf beleven in de islamitische wereld dan ook druk na druk. Twee Arabische vertalingen en de tiende druk van de Turkse vertaling van Mine Toker worden nu aan het publiek getoond.

De gevaren die de islamitische wereld bedreigen lijken zó totaal en overweldigend, dat men zich goed kan voorstellen dat het te laat is om het tij te keren. Toch zijn de meeste van de auteurs van de genoemde boeken geen echte onheilsprofeten. Zij heffen de vinger en waarschuwen met de bedoeling een tegenbeweging op gang te brengen, niet om een onafwendbaar onheil te voorspellen. De auteur van een van de pamfletten over de Mossad-agentes verwoordt dit misschien wel het beste met zijn vaststelling dat de ‘haviken van onze geheime diensten’ het gevaar gelukkig  goed in de gaten hebben en het ergste onheil weten te voorkomen (nr. 67). En zo eindigen veel van deze aanklachten, onthullingen en beschuldigingen met een positieve noot. Uiteindelijk zal het goede zegevieren.


Leiden, 10 november 2000 Jan Just Witkam en Arnoud Vrolijk

 

Noten

[1] Een aanzienlijke hoeveelheid materiaal over duivels, demonen en magie kon worden aangeschaft tijdens een ochtend op de Cairo Bookfair 1999 in het gezelschap van prof. Remke Kruk, een specialist op dit terrein.

[2] P.M. Kurpershoek, Wie luidt de doodsklok over de Arabieren? Arabisme, Islam, en de Wereldbank. Leiden (Universiteit Leiden) 1998.

[3] Sheikh Nazim al-Haqqani, Princess Diana’s death. London (Zero Productions) 1997.

[4] E.W. Lane, Manners and customs of the modern Egyptians. Introduction by Saad el-Din. London, etc., 1954, p. 228.

[5] Een handig overzicht van deze passages wordt gegeven door J.H. Kramers in het onderwerpenregister bij zijn Nederlandse vertaling van de Koran (pp. 586-587 in de door Asad Jaber en Johannes J.G. Jansen bewerkte versie, Amsterdam 1992).

[6]De geschiedenis van het ontstaan van de ‘Protocollen’ en de transformatie van Dialogue naar ‘Protocollen’ zijn uitgebreid beschreven door Norman Cohn, Warrant for genocide. The myth of the Jewish world-conspiracy and the Protocols of the Elders of Zion. London 1967.