Bibliotheken Tentoonstellingen Scaliger

Adelaar in de wolken. De Leidse jaren van Josephus Justus Scaliger 1593-1609

Samenstelling: Paul G. Hoftijzer & Kasper van Ommen

1. Iconografie
2. Scaligers jonge jaren
3. Wetenschappelijk werk
4. Scaligers Leidse adressen
5. Scaligers leerlingen
6. Scaliger en Lipsius
7. Scaliger en Dousa
8. Bijdragen van Scaliger in Leidse alba amicorum
9. Briefwisseling
10. Scaligers ‘Nachleben’



Scaliger en Lipsius




6.1 Eerste brief van Josephus Justus Scaliger (Touffou) aan Justus Lipsius
(Leuven), gedateerd 12 februari 1577. UBL ms. Lips. 4 (S)
De inhoud laat zich als volgt samenvatten: Plantijn heeft Lipsius’ brief doorgestuurd vanuit Parijs. Van bij de eerste bladzijden die hij van Lipsius las heeft hij genegenheid en bewondering voor hem opgevat. Jammer dat ze elkaar niet kunnen ontmoeten; Scaliger zou hem nooit meer laten gaan. Terwijl hij aan het schrijven is, brengt men hem Lipsius’ Epistolicae quaestiones. Zelfs zonder het te lezen weet hij dat hij zich aan een uiterst verzorgde publicatie mag verwachten. Scaliger voelde zich bijzonder trots toen hij zijn naam vermeld zag. Plautus uitgeven ligt helemaal in de lijn van Lipsius’ onderzoek. Intussen heeft hij zelf zijn Catullus, Tibullus en Propertius ter perse gelegd. Hij heeft zich in alle rust teruggetrokken. De situatie in de Nederlanden is rampzalig, maar Lipsius moet niet beter verwachten in Frankrijk. Scaliger is ervan overtuigd dat Lipsius niet hoog zal oplopen met de Plautus-editie van Dionysius Lambinus. Het lijkt wel een broertje van zijn Horatius-uitgave, die haast bezwijkt onder de commentaar. Scaliger heeft haast geen boeken meegenomen en voelt zich echt in de woestijn, ver van brieven en boeken. Temidden van het wapengeweld ziet hij zich tot niet veel meer in staat dan eventueel een uitgave met commentaar van een Psalterium inn zes talen. Lipsius moet verder werken aan Plautus en Nonius.
In de linkerbovenhoek herkent men in zwartere inkt de hand van Petrus Burmannus, die verwijst naar de publicatie van deze brief in de Epistolarum Decades XIIX (Harderwijk, 1621), pp. 126-127, nr. 8. Deze Decades XIIX omvat een kleine selectie van Lipsius’ brieven en zijn gedichten, verzameld door Jacobus Isaacus Pontanus. Ook Daniel Heinsius nam de brief op in zijn editie van de brieven van Scaliger (Leiden: Bonaventura en Abraham Elzevir, 1627), pp. 78-79, nr. 4. Burmannus zelf heeft de brief niet uitgegeven. De eerste gedrukte versie werd echter door Lipsius zelf bezorgd (zie volgend nummer). Op het origineel ziet men nog sporen van de zetter: die heeft met roodbruin potlood in de tekst de pagina-afbreking aangeduid op regel 8, tussen ecce en me, en op regel 26, tussen quam a en libris. In de marge geeft hij het nieuwe paginanummer aan. Op de achterkant staat het adres: Doctissimo viro Iusto Lipsio. Lovanio en zijn sporen zichtbaar van zegellak.

 
6.2 Iusti Lipsi Epistolarum selectarum centuria prima (Leiden: Christoffel Plantijn,
1586), brief 7 (pp. 12-13). UBL 186 D 30.
In de loop van de jaren tachtig groeide bij Lipsius het idee om, naar het voorbeeld van Cicero, een reeks brieven aan vrienden en bekenden uit te geven. Hij begon voorzichtig met een selectie van honderd brieven, een Centuria (een term afkomstig uit de militaire taal), die hij opdroeg aan de schout, de burgemeesters en de vroedschap van Utrecht. Het was een van de eerste werkjes die gedrukt werden door Franciscus Raphelengius, maar nog wel onder de naam van Christoffel Plantijn, wellicht omdat Raphelengius op dat moment nog niet was benoemd tot opvolger van zijn schoonvader. Voor deze eerste verzameling koos Lipsius 86 van zijn eigen brieven (waarvan een aan Scaliger) en veertien die anderen tot hem hadden gericht (waaronder twee van Scaliger). Toen Raphelengius echter in 1590 de editie opnieuw ter perse legde en aanvulde met een tweede centurie, heeft Lipsius de brieven van andere humanisten vervangen door brieven die hij zelf geschreven had. ‘Een brief iets iets persoonlijks tussen auteur en intvanger; je weegt je woorden niet zo precies af, als wanneer je iets schrijft dat voor een groter publiek is bedoeld,’ zo verklaart hij in het ‘Voorwoord tot de Lezer’ van die tweede druk. Hij had dus ongelijk gehad om wat alleen voor hem bestemd was, te publiceren buiten het weten om van de auteurs van die brieven. Dit schrijven van Scaliger is dus weggelaten vanaf de 1590-editie.

 
6.3 Justus Lipsius, Satyra Menippaea. Somnium. Lusus in nostri aevi criticos
(Antwerpen: Christoffel Plantijn, 1581), f. A2 (opdrachtbrief van het ‘Somnium’ aan Josephus Justus Scaliger). UBL 200 C 19: 2.
Aan het begin van hun carričre namen Scaliger en Lipsius de fakkel over van een aantal grote filologen uit de vroege zestiende eeuw en legden ze zich toe op het zo correct mogelijk uitgeven van een aantal oude teksten. Een aantal tijdgenoten nam het echter niet zo nauw met die traditie: ze wijzigden en ‘verbeterden’ de overgeleverde versies naar willekeur in plaats van ze te zuiveren. Geďnspireerd door Seneca’s Apocolocynthosis Claudii Caesaris (De ‘verpompoenlijking’ van keizer Claudius) leverde Lipsius in een afwisseling van proza en poëzie kritiek op de eerzucht en de onkunde van dergelijke collega’s. Hij stak ook de draak met de gewoonte van de Duitse keizer om te pas en te onpas lauwerkransen toe te kennen aan humanistische dichters in zijn rijk. Omdat Lipsius in Scaliger een zielsverwant zag, die het filologenwerk wel ernstig nam, droeg hij deze satire aan hem op. Hoewel het geheel als Spielerei was bedoeld, konden de Duitse intellectuelen er niet om lachen. Onder de indruk van hun kritiek achtte hij het geraadzaam het beloofde vervolg, ‘Uitvaart’ en ‘Triomf’ te laten voor wat het was. Voor een recente uitgave met commentaar, zie Two Neo-Latin Menippeam satires. Justus Lipsius: Somnium. Petrus Cunaeus: Sardi venales, ed. C. Matheeussen en C.L. Heesakkers (Leiden, 1980) [Textus minores, 54].

 
6.4 Jacobus Christmannus, Epistola chronologica ad Clarissimum Virum Iustum
Lipsium, qua constans annorum Hebraeorum connexio demonstratur et non leves aliorum errores luculenter refutantur (Heidelberg: Josua Harnisch, 1591). UBL 173 D 87.
De Duitser Jakob Christmann (1554-1613), oriëntalist en astronoom, was in 1584 door paltsgraaf Johann Casimir aangesteld als professor Hebreeuws te Heidelberg. In 1608 werd hij er professor Arabisch; deze leerstoel werd toen voor het eerst in West-Europa ingericht. In augustus 1589 uitte Lipsius aan een oud-leerling, die inmiddels in Heidelberg verbleef zijn verbazing dat een van de professoren daar, Jacob Christmann, een werk over chronologie wilde schrijven. Wat valt daar nog over te zeggen na Scaligers De emendatione temporum? De jongeman moet het briefje hebben laten circuleren en Lipsius’ opmerking kwam Christmann ter ore. Niet eens anderhalf jaar later werd zijn repliek te koop aangeboden op de boekenbeurs van Frankfurt. Het was gepresenteerd als een brief aan Lipsius, waarin hij het systeem van de joodse jaartelling uiteenzet en ‘een aantal vergissingen, en geen onbeduidende, van anderen’ weerlegt. Met die ‘anderen’ bedoelt hij in de eerste plaats Josephus Scaliger, naar wie hij een aantal keer vrij sarcastisch met name verwijst. In 1593 kwam een herdruk op de markt, aangevuld met de Disputatio de anno, mense et die passionis Dominicae, seorsum edita (Frankfurt: weduwe van Johann Wechel voor Petrus Kopffius).

 
6.5 Brief van Scaliger aan Justus Lipsius, gedateerd 17 juli 1600. UBL hs. Lips. 4(S).
In deze originele brief vraagt Scaliger Lipsius’ Eusebius-handschrift te leen, al was het maar voor een maand. Lipsius kan zijn codex aan Christophorus Raphelengius bezorgen.
  Mijn beste Lipsius,
Ik heb hier het Chronicon van Eusebius op mijn tafel liggen, een Augiasstal die ik niet kan uitmesten met de hulp van het handschrift, 446 jaar geleden geschreven, dat ik nu gebruik. Deze codex is mijn leidraad geweest om de oorspronkelijke ordening te herstellen en een aantal fouten te verbeteren. Toch laat hij me nog steeds in het ongewisse en ik weet niet hoe ik tot een oplossing kan komen, tenzij ik een ander, beter handschrift vind, dat alle redenen tot twijfel wegneemt en redding brengt voor Eusebius. Ik hoor dat jij beschikt over een codex van heel goede kwaliteit, die zijn betrouwbaarheid voor jou bewezen heeft. Mag ik hem voor slechts één maand van je lenen? Ik vraag je dat en ik twijfel helemaal niet aan je positieve antwoord, als je daar inderdaad de mogelijkheid toe hebt. Ik ben er namelijk heel sterk van overtuigd dat ik de dingen die jij bezit, mag gebruiken. Vandaar dus mijn dringend verzoek: als dat handschrift inderdaad van jou is, bezorg het dan aan onze vriend, Christoforus Rafelengius. Doe je dat niet, dan zal dat een bewijs zijn dat het niet jouw eigendom is. Is dat echter wel het geval, dan hoop ik dat ik het mag inkijken. Het beste! 17 juli 1600.
 
De woorden bovenaan in zwartere inkt zijn toevoegingen van Petrus Burmannus die de brief opnam in zijn Sylloge Epistolarum, 5 dln. (Leiden, 1724-27), I, nr. 240. Op de verso-zijde bevindt zich het adres: ‘Clarissimo Viro, D[omi]no Iusto Lipsio. Lovanium’ en het onbeschadigde zegel van Scaliger met de afbeelding van een ladder (scala).

  

 
vorige pagina volgende pagina