Bibliotheken Tentoonstellingen Sluis

OOSTENDE VERLOREN, SLUIS GEWONNEN, 1604

Tentoonstelling in de Universiteitsbibliotheek van 12 augustus - 12 september 2004
Samenstelling:
Dirk de Vries 
Met bijdragen van Charles van den Heuvel, Anton van der Lem en Piet Lombaerde

 

Woord vooraf
De strijd om de Vlaamse havens tijdens de Tachtigjarige Oorlog
De legertent als bibliotheek. Vroeg zeventiende-eeuwse theorieën over legerhervormingen en logistiek in het veld
Oostende afgesneden, belegerd, opgegeven en ingenomen: 1599 -1604
Cartografische beeldkroniek van de strijd om Sluis in 1604
Beeldkroniek I, II, III
Catalogus I, II, III, IV


De strijd om de Vlaamse havens tijdens de Tachtigjarige Oorlog
Anton van der Lem


Sluis en Brugge

Het is moeilijk voor te stellen dat het tegenwoordig landinwaarts gelegen stadje Sluis ooit een belangrijke Vlaamse haven is geweest. Water en land liggen er nu duidelijk van elkaar gescheiden: de zeearmen vast beklonken tussen de hoge dijken, de zee schijnbaar bedwongen door het deltaplan. Wie echter een oude kaart van de Vlaamse en Zeeuwse gewesten bekijkt, ziet hoe op elke kaart de geografische situatie weer anders lijkt: een wirwar van eilanden, omringd door stromen die zich telkens weer verenigen en splitsen. Elke stormvloed kon alles veranderen. Des te belangrijker was het dat de handelsstad Brugge meer in het binnenland lag, door het Zwin verbonden met de zee, maar veiliger voor de invloed van het tij. Sluis lag als voorhaven van Brugge halverwege deze belangrijke stad en de monding van het Zwin in de Noordzee. Zijn haven was dieper, wat het ook tot een mogelijke concurrent van Brugge maakte. Maar daar waakten de Bruggelingen wel tegen. Zij hadden zich bij de Vlaamse graaf verzekerd van het stapelrecht, waardoor alle goederen weliswaar in Sluis mochten worden overgeslagen, maar alleen in Brugge opgeslagen en verhandeld. In 1323 was de concurrentie toch zo hoog opgelopen dat de Bruggelingen het stadje in brand staken. In 1566 wist Brugge de voorhaven te kopen om zijn aan zijn eigen belangen ondergeschikt te maken. Als de geschiedschrijvers spreken over burgerlijke vrijheden of democratische tendensen in de geschiedenis van de steden van de Nederlanden, dan dient men wel te bedenken dat het doorgaans om vrijdommen ging, om het eigenbelang ten koste van anderen.
Dat de haven van Sluis nabij de zee lag, maakte het stadje bij uitstek geschikt als uitvalsbasis voor een oorlogsvloot. Zelfs toen het ridderlijk Europa nog nauwelijks ervaring had met het vechten op zee, vond bij Sluis de zeeslag plaats waarmee de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk opende. Franse schepen, bij Sluis in het Zwin gelegen, werden er op 24 juni 1340 vernietigd door een gecombineerd Engels-Vlaamse vloot. Het demonstreert hoe belangrijk de haven was bij internationale conflicten: van de zeekant gezien lag Sluis dichter bij Calais en Londen dan bij Rotterdam of Enkhuizen. Het was een Vlaamse stad, op Vlaanderen gericht. Wie in de grote zaal van het Brugse stadhuis de geschilderde wapens bewondert van alle steden waarmee Brugge handelscontacten onderhield, zal er ook Sluis ontdekken. Te midden van die tientallen schilden ontbreken echter steden uit Nederland buiten het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen: geen Den Briel, geen Vlissingen, geen Veere, laat staan Amsterdam, Rotterdam of Dordrecht. De grote zaal van het Brugse stadhuis is gerestaureerd en versierd in de jaren van Nederlands-Belgische animositeit, toen alleen het ooit Vlaamse Sluis met zijn wapenschild de Brugse zaal mocht sieren. Nadat prins Maurits in 1604 de stad Sluis had veroverd, zou deze voorgoed deel gaan uitmaken van de Noord-Nederlandse Republiek. Maar dat is achteraf geredeneerd: elke tegenaanval kon Sluis weer aan de kant van de koninklijke Nederlanden brengen. Eveneens achteraf gezien is de belegering van Sluis er een geweest in het midden van de Tachtigjarige Oorlog in een lange reeks van belegeringen en innames van vestingsteden.

De militaire revolutie
In de veertiende en vijftiende eeuw was het oorlog voeren niet zozeer een kwestie geweest van enkele veldslagen, als wel van strooptochten en verrassingsaanvallen. In de zestiende eeuw veranderde dat drastisch: de legers werden steeds groter en te kostbaar om bloot te stellen aan de ongewisse uitkomst van een veldslag. In plaats daarvan bezette men een versterkte stad en voorzag die van een garnizoen om van daaruit de omliggende gebieden te controleren. Door de verbetering van de handvuurwapens en kanonnen waren de oude middeleeuwse stadsmuren onverdedigbaar geworden: zij vielen tot puin ineen bij een adequate beschieting. Om een kanonnade te doorstaan diende men de muren te verlagen en vestingwallen van aarde aan te leggen die de vijandelijke schoten konden smoren. In de plaats van ronde en vierkante torens kwam een veelhoekige omwalling met vooruitstekende bastions, van waaraf de verdedigers uit elke hoek mogelijke belagers tegenvuur konden geven. In het stedenrijke Italië had deze vernieuwing het eerst plaatsgevonden; vervolgens verbreidden Italiaanse ingenieurs de trace italienne in enkele decennia over Europa. In de al even stedenrijke Nederlanden volgde stad op stad het nieuwe voorbeeld, een vernieuwing die jaren kon duren en zowel organisatorisch als financieel een hele opgave was. Tijdens de belegering van Alkmaar door de Spanjaarden in 1573 was een deel van de stad nog ommuurd, terwijl het andere al was voorzien van wallen volgens de moderne, Italiaanse methode. Met de nieuwe wallen veranderde ook de belegeringstactiek. Beschietingen en bestormingen maakten plaats voor ondermijningen door graafwerk. Menige stad werd op de knieën gedwongen door insluiting en het afsnijden van de toevoer van oorlogsmaterieel en levensmiddelen: men hongerde de stad uit. In zo’n situatie kon alleen een ontzet door medestanders uitkomst brengen. Bekend is het ontzet van Leiden door de watergeuzen op 3 oktober 1574, nadat de stad door de Spanjaarden tot op de rand van de overgave was gedwongen. Toen Frederik Hendrik in 1629 Den Bosch belegerde, waagde de vijand vanuit Duitsland een inval op de Veluwe om de prins van de stad weg te lokken. Hij bleef echter waar hij was en liet zich niet afleiden. Nadat de inval was afgeslagen en de kans op ontzet verkeken, gaf Den Bosch zich over. Was een stad eenmaal ingesloten, dan versterkten de belegeraars hun kamp ook naar buiten toe met schansen en omwallingen. Kwam dan een vijandelijk leger een poging tot ontzet wagen, dan moest het dikwijls machteloos afdruipen. Dat gebeurde bijvoorbeeld toen Maurits in 1593 de stad Geertruidenberg belegerde en de Zuid-Nederlandse generaal Mansfelt met een leger tot ontzet kwam. Toen echter de Turken in 1683 het beleg voor Wenen hadden geslagen, verzuimden zij hun voorzorgsmaatregelen te treffen door hun eigen kampement te beveiligen. Het leger dat tot ontzet van Wenen aanrukte, slaagde dan ook moeiteloos in zijn opzet.

De land- en zeeoorlog tijdens de hertog van Alva
Zonder dat de hele Tachtigjarige Oorlog hier in oorzaken en gevolgen kan worden behandeld, dienen een paar constanten in deze oorlog voor en na de inname van Sluis te worden gememoreerd: de oorlog was grotendeels een vestingoorlog; de rebellen hadden een overwicht op zee; de staatsbankroeten van de Spaanse kroon frustreerden doorgaans de oorlogvoering. Ten slotte hing het verloop van de Opstand nauw samen met de andere prioriteit in de ‘grote strategie’ van Filips II: de verdediging van het katholicisme. Als gevolg daarvan richtte hij zich regelmatig op voor hem belangrijker oorlogsterreinen (de Turken, Frankrijk, Engeland), waardoor de opstandelingen in de Nederlanden de gelegenheid kregen hun veroveringen te consolideren.
In 1567 was de hertog van Alva met een sterk, gedisciplineerd leger naar de Nederlanden gekomen om het gezag van de wettige landsheer, Filips II, te herstellen. In feite was zijn komst niet meer nodig: geschrokken van de excessen van de Beeldenstorm had de in meerderheid conservatieve en katholieke bevolking zelf orde op zaken gesteld. De protestanten waren het land uit gevlucht, en de meeste edelen hadden een nieuwe eed van trouw afgelegd. Alleen de grootste leider van de oppositie, prins Willem van Oranje, was teruggekeerd naar zijn stamland Nassau, omdat hij geen vertrouwen meer had in de absolutistische politiek van Filips II en diens vervolging van andersgelovigen. Burgers en edelen die er net zo over dachten, waren eveneens naar het buitenland gevlucht. Anderen zochten een goed heenkomen als vrijbuiter op zee, waar ze als de zogenaamde watergeuzen in hun onderhoud voorzagen door middel van kaapvaart. De hertog van Alva dreef de reactie echter te ver door: de geloofsvervolging liet hij verscherpen, hoge edelen onthoofden – onder wie de katholieke en populaire Egmond – en nieuwe belastingen heffen om de Spaanse bezettingsmacht te betalen. Militaire tegenaanvallen van Willem van Oranje en diens broer Lodewijk had hij in 1568 gemakkelijk kunnen afslaan. In 1572 was de situatie anders. Het bewind van de ijzeren hertog was zo impopulair geworden dat een nieuwe opstand veel meer weerklank kreeg. Bovendien had Alva ook rekening te houden met de situatie in Frankrijk, waar de protestanten – de hugenoten – onder admiraal de Coligny een belangrijke positie innamen. De Coligny wilde in een met Oranje gecombineerde actie de Nederlanden binnenvallen. Daarom hield Alva zijn leger in het Zuiden geconcentreerd. Toen de watergeuzen op 1 april 1572 de Zuid-Hollandse haven Den Briel bezetten, stuitten zij dan ook op weinig tegenstand. In de weken en maanden daarna maakten zij zich meester van een hele reeks steden in Holland en Zeeland. Lodewijk van Nassau wist met een klein aantal manschappen de stad Bergen in Henegouwen te verrassen, waar hij zich weldra omsingeld zag door Alva’s leger. De hulp uit Frankrijk kwam echter niet opdagen: in de nacht van 23 op 24 augustus, de Bartholomeusnacht, werd het sein gegeven tot het doden van de protestanten in Frankrijk. Duizenden hugenoten kwamen om het leven, en van een ondersteunende actie van die kant kon geen sprake meer zijn. Oranjes eigen inval kreeg de steun van enkele steden die hun poorten voor hem openden, zoals Roermond en Mechelen, maar hij slaagde er niet in zijn broer in Bergen te ontzetten. Een nachtelijke overval op zijn legerkamp decimeerde zijn leger; de prins vluchtte via Kampen naar Enkhuizen, in de verwachting in de Hollandse steden een toevlucht maar ook zijn dood te zullen vinden. Alva liet vervolgens Lodewijk van Nassau en diens mannen op eervolle voorwaarden uit Bergen vertrekken, wel wetend dat de Franse medestanders van de graaf hetzelfde lot zouden ondergaan als hun geloofsbroeders. Daarna gelastte Alva zijn zoon Don Frederik om de steden die zich voor Oranje hadden verklaard de een na de ander weer tot gehoorzaamheid te brengen. Dit gebeurde dan ook door, zoals het heette, een afschrikwekkend voorbeeld te stellen. In een veldtocht die van Mechelen naar Roermond, en vervolgens over Deventer en Zutphen naar Naarden leidde, trok Don Frederik een bloedspoor door de Nederlanden. Daarop sloeg het leger het beleg voor Haarlem, in de verwachting ook hier snel en genadeloos te kunnen toeslaan. Maar met het beleg van Haarlem begint die lange reeks van belegeringen in de Tachtigjarige Oorlog die zich kenmerken door veel ontberingen en sterfgevallen aan beide zijden. De Coligny had al eens gezegd dat een belegering van een grote stad een kerkhof voor de belegeraars kon worden. De grote keizer Karel V had ooit het hoofd gestoten voor de stad Metz, die in de winter van 1552 de keizer trotseerde. Van december 1572 tot juli 1573 wist Haarlem stand te houden. Uiteindelijk moest de stad zich uitgeput overgeven, maar de prijs was inderdaad hoog geweest: met 8000 doden onder de belegeraars, waaronder beproefde veteranen, was Haarlem een kerkhof voor de Spanjaarden geworden. Toch leek de inname een succes: het gebied van de rebellen was nu in tweeën gesplitst. Ten zuiden van Haarlem de Zuid-Hollandse en Zeeuwse steden van Leiden tot Vlissingen; ten noorden van Haarlem de steden van het Noorderkwartier: Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen en Medemblik. De bevelhebber aldaar zag het somber in en schreef een bezorgde brief aan Oranje waarin hij deze vroeg of hij al een verbond met een buitenlands ‘potentaat’ had gesloten. Het leek toch duidelijk dat zonder buitenlandse hulp de zaak reddeloos verloren was. Het antwoord dat hij kreeg was in twee opzichten frappant: de prins antwoordde dat hij niet met een buitenlands potentaat een verbond had gesloten, maar met God zelf, de Potentaat der Potentaten, om de oorlog in de Nederlanden tot een goed einde te brengen. Dat was voor de ondersteuning van het moreel. Maar wat de militaire kant van de zaak betreft was het antwoord niet minder verrassend. Zelfbewust stelden de opstandelingen vast dat de inname van Haarlem de Spanjaarden zoveel bloed en geld had gekost, dat het ondenkbaar was dat de vijand erin zou slagen om hetzelfde op te brengen voor de tientallen steden in Holland en Zeeland die de kant van de prins hadden gekozen en niet van zins waren deze los te laten. De scherpe analyse werd in oktober bevestigd door twee militaire overwinningen van de opstandelingen. De Spanjaarden hadden het beleg voor Alkmaar geslagen, maar op 7 oktober 1573 gaven zij dit op omdat op last van de prins het omringende land onder water was gezet. Een paar dagen later versloeg een geuzenvloot de koninklijke vloot op de Zuiderzee, nabij Hoorn. In 1568 en 1572 was gebleken dat men in het open veld niet tegen het Spaanse leger was opgewassen. Maar op het water hadden de opstandelingen de overhand, en door gebruik te maken van de bijzondere geografische omstandigheden van het laaggelegen Holland wisten de opstandelingen zich ook in een vestingenoorlog te handhaven.
Dit alles werd ook financieel mogelijk gemaakt door het enorme scheepspotentieel van Holland: de omvang van Hollands visserij en vrachtvaart - zelfs op de Spaanse havens! - was van dien aard dat men het risico heeft willen en durven nemen om de strijd aan te gaan tegen de Spaanse wereldmonarchie. Waarom hebben Filips II en de hertog van Alva dan niet hun militaire acties in de Nederlanden ondersteund door een veel krachtiger eigen vloot? In de vaart op de Amerika’s en in de strijd tegen de Turken in de Middellandse Zee hadden de Spanjaarden immers voldoende ervaring opgedaan. Nog op 7 oktober 1571 hadden zij met de Venetianen en ondersteund door de paus de Turken in de zeeslag bij Lepanto totaal verslagen. Het antwoord op deze vraag is dat de Spanjaarden wel degelijk geprobeerd hebben om armada’s of vloten naar het noorden uit te zenden, ver voor de grote Armada Invencible of Onoverwinnelijke Vloot van 1588. Dit gebeurde ten koste van veel personele en materiële inspanningen in de Noord-Spaanse havens. Geldgebrek, sterfgevallen ten gevolge van besmettelijke ziektes en desertie maakten in de jaren zeventig het goed uitrusten, laat staan uitvaren van de vloot onmogelijk. Zelfs voor de schijnbaar onuitputtelijke Spaanse hulpbronnen –het zilver uit Amerika – was het hebben van zowel een groot leger als een grote vloot in de Nederlanden onmogelijk. In 1573 riep Filips II de hertog van Alva terug naar Spanje; vele jaren later zou de koning nog vaststellen dat het optreden van Alva hem het bezit van de Nederlanden had gekost.

De land- en zeeoorlog tijdens de prins van Parma
De gouverneurs-generaal na Alva – Don Luis de Requesens 1573-1576 en Don Juan van Oostenrijk 1576-1578 – waren door geldgebrek en hun geringe militaire talenten niet in staat de positie van de kroon te verbeteren. Nadat de Spaanse soldaten jaren lang geen soldij hadden ontvangen, sloegen zij in 1576 aan het muiten, moorden en plunderen. Hierdoor verenigden zich vrijwel alle Nederlanden in hun verzet tegen het ‘Spaanse ongedierte’. De ene stad na de andere verklaarde zich voor de prins van Oranje, waaronder ook de stad Sluis in Vlaanderen. In de grote steden van Vlaanderen deed zich als gevolg van deze ommekeer een veel scherpere reactie voor dan Holland en Zeeland ooit gekend hadden. Calvinistische minderheden maakten zich meester van de macht. Met name de stad Gent was hier een drijvende kracht: een comité van Achttienmannen wist vanuit Gent een hele reeks van steden in Vlaanderen te bemachtigen en verbood de katholieke godsdienst. Deze ontwikkeling riep een heftige tegenreactie op bij de katholieke adel in de Franstalige gewesten Henegouwen en Artesië, die zich met een zoveel lagere partij als Hollandse kooplieden of Vlaamse calvinisten niet wilde associëren. De in 1578 benoemde nieuwe gouverneur-generaal, Alessandro Farnese, prins van Parma, verzoende hen met de Spaanse kroon in de Unie van Atrecht. Samen met de trouw gebleven gewesten Luxemburg en Namen vormden zij de basis van waaruit Parma – tactvol diplomaat en voortreffelijk veldheer inéén – de reconquista van de verloren gegane gebieden begon. Ook dit was weer een oorlog van belegeringen of van het omkopen van bevelhebbers, die schansen of vestingen tegen goede betaling zonder slag of stoot overleverden. In 1579 hernam Parma de stad Maastricht na een langdurige en bloedige belegering. Het zou de laatste stad zijn waarbij hij na de inname plunderingen toeliet. Pacificatie was zijn doel, geen oorlog. Parma voerde een politiek van verzoening en soepel wist hij tal van edelen en steden ertoe over te halen onder de gehoorzaamheid van de koning terug te keren, met behoud van ‘s lands privilegiën. Het enige punt waar hij niet van toegeven wilde weten, betrof de godsdienst: men diende belijdend katholiek te blijven en anders binnen een van tevoren afgesproken termijn het land te verlaten. In de eerste helft van de jaren tachtig viel de ene grote stad na de andere in zijn handen: Doornik, Brugge, Gent en in 1585 Antwerpen. De machtige Scheldestad had zich door inundaties beveiligd tegen een beleg, maar niet goed genoeg. Het werd niet alleen een strijd van wapens tegen wapens, maar ook van ingenieurs tegen ingenieurs. Het beleg van Antwerpen ontpopte zich als een demonstratie van civiele techniek die de bewondering van heel Europa afdwong. Na Antwerpen leek de opmars van Parma niet te stuiten: het kasteel van Wouw, de belangrijke handelsstad Deventer en de schansen bij Zutphen kwamen hem door verraad in handen. De verovering van de zeegewesten Holland, Zeeland en Friesland leek nog slechts een kwestie van tijd.

De Opstand gered door de internationale situatie
In de loop der jaren hadden de opstandelingen al dan niet heimelijk steun gekregen van de Engelse koningin Elisabeth. Met geld en troepen was zij te hulp gekomen, niet uit vrees voor Spanje, maar omdat zij beducht was voor een toenemende invloed van Frankrijk in de Nederlanden. Overigens liet zij zich voor die steun zo goed betalen en stelde zij zulke scherpe voorwaarden, dat een Frans politicus haar hulp liever als een wurging dan als een omhelzing karakteriseerde. Gedurende haar regering nam, vooral door de activiteiten van de Engelse kaper Francis Drake in Zuid-Amerika, de rivaliteit tussen Spanje en Engeland zo toe dat een oorlog tussen beide landen onvermijdelijk leek. Filips hoopte door het sturen van een machtige vloot, de Armada Invencible, een invasie in Engeland uit te voeren. Parma diende aan dit aanvalsplan mee te werken door een groot leger en een grote vloot in de Vlaamse kuststreek bijeen te brengen. Op honderden platbodemschepen zouden zijn troepen, beschermd door de Armada, de oversteek van Vlaanderen naar Engeland maken. Maar voor die oversteek was het bezit van alleen Duinkerken niet voldoende. Parma diende over meer havens dan deze te beschikken, terwijl Oostende en Sluis in handen van de Staten waren. Een verkenning rond Oostende maakte duidelijk dat dit onneembaar leek: in een straal van twee mijl waren alle huizen en bomen neergehaald om een vrij schootsveld te hebben, en het hele gebied stond onder water. De vesting Sluis was eveneens goed voorzien van manschappen en goederen, en beveiligd door bolwerken en inundaties: militair-technisch leek het een tweede Antwerpen. Stap voor stap isoleerde de veldheer Sluis van de omgeving. Een poging tot ontzet van Engelse zijde en van de kant van Vlissingen mislukte. De onervaren Engelse rekruten werden op het zien van Parma’s veteranen onmiddellijk teruggetrokken, maar de kritiek van Engelse zijde op de Staten-Generaal was niet mals: de Staten kregen het verwijt dat zij handelden alsof Sluis hetzelfde was als Santo-Domingo of Hispaniola, dus ver van hun bed. Het verzet van het garnizoen van Sluis was hardnekkig, maar uitzichtloos: na twee maanden vroeg men om onderhandelingen. Uit respect voor hun dappere houding stond Parma de bezetting van Sluis een vrije aftocht met militaire eer toe. Daarmee verwierf hij de extra havenstad die hij zo nodig had voor de onderneming tegen Engeland. Zoals bekend draaide de onderneming van de Armada op een fiasco uit, niet echter door toedoen van Parma. Hij had op tijd een leger en een vloot bijeengebracht, maar zag die in zijn Vlaamse havens Sluis en Duinkerken geblokkeerd door de Hollandse vloot, terwijl de Engelse de Armada in de gaten hield, opjoeg en verdreef.
Twee jaar na de nederlaag van de Armada moest Parma op last van Filips II ingrijpen in de binnenlandse politiek van Frankrijk. Daar dreigde na de dood van koning Hendrik III in 1590 de protestantse Hendrik van Navarra op de troon te komen. Spaans geld en Spaanse troepen moesten in Frankrijk de aanspraken van de katholieke partij op de troon ondersteunen. Het militaire genie van Parma was van doorslaggevend belang in de Franse burgeroorlog tussen katholieken en protestanten. Uiteindelijk zag Hendrik van Navarra geen andere mogelijkheid zijn kroon veilig te stellen dan door terug te keren in de katholieke kerk, waarna hij als Hendrik IV werd gezalfd en gekroond. Door Spanje de oorlog te verklaren kon hij onmiddellijk de nationale eenheid herstellen en zijn voormalige katholieke tegenstanders zij aan zij met zijn protestantse medestanders laten strijden.

De consolidatie van de Republiek
Op koninklijk bevel maar tegen zijn zin had Parma zich eerst aan de onderneming tegen Engeland gewijd en daarna aan die in Frankrijk. Zijn middelen waren ontoereikend om tegelijkertijd op te trekken tegen het Noorden. Opgebruikt in de strijd en gewantrouwd door Madrid is hij in 1592 gestorven. De periode van 1588 tot 1598 is door de Leidse historicus Robert Fruin magistraal beschreven in zijn Tien jaren uit den Tachtigjarigen Oorlog. Hierin liet hij zien hoe de Noord-Nederlandse Republiek politiek, militair, economisch en cultureel haar zelfstandigheid wist te verwerven. Een groot aandeel daarin hadden graaf Willem Lodewijk van Nassau (1560-1620), stadhouder van Friesland (later ook van Groningen en Drente) en prins Maurits (1567-1625), stadhouder van de andere opstandige gewesten. Op initiatief van Willem Lodewijk bestudeerden beide stadhouders de klassieke literatuur over het militair bedrijf, om er hun voordeel mee te doen in de eigen strijd. Zij brachten discipline in het leger, onder andere door het leren exerceren. Stipt op bevel handelingen uitvoeren was essentieel bij het schieten, bij troepenverplaatsingen of bij het uitvoeren van charges in het veld. Soldaten moesten voortaan zelf hun schansen opwerpen en loopgraven delven, vervelende klussen die tot dan toe gedwongen door boeren waren verricht. Tegenover dat alles stond voortaan stipte betaling, mogelijk gemaakt door het deskundig beleid van de raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt. Zolang Parma en diens Spaanse opvolgers in het Zuiden werden beziggehouden door de toebereidselen voor de Armada of de burgeroorlog in Frankrijk, kon in het Noorden de ene stad na de andere worden veroverd. De ene bij verrassing, zoals Breda, veroverd in 1590 door een aantal soldaten in een turfschip het kasteel binnen te smokkelen. De andere door een beleg met kanonnen of met de schop, zoals Steenwijk in 1593. Alle steden boven de grote rivieren werden door Willem Lodewijk en Maurits aan de koninklijke macht ontfutseld. Trots spraken de opstandelingen van de ‘gesloten tuin’.
In het jaar 1598 stierf in het Escoriaal de man die zo’n negatieve naam in de geschiedenis van de Nederlanden verworven heeft: Filips II. Om de Nederlanden voor zijn geslacht te behouden, liet hij ze na aan zijn dochter Isabella en haar man, Albrecht van Oostenrijk, haar volle neef. Als de aartshertogen zouden zij samen over de koninklijke Nederlanden regeren. Om hun een veilige zuidgrens te garanderen had Filips II kort voor zijn dood met Frankrijk de Vrede van Vervins gesloten. Filips’ opvolger op de Spaanse troon, Filips III, wilde de strijd energiek hervatten, maar zijn middelen waren beperkt. In 1597 had een staatsbankroet andermaal aangetoond hoe deplorabel de financiën van de kroon waren, en het bewind van de aartshertogen kon niet zonder Spaans geld en Spaanse troepen. De enige zaak die goed draaide was het kaapvaartbedrijf in Duinkerken. Uit deze Vlaamse stad benadeelden de Duinkerker kapers de vissersvloten en handelsschepen van de Republiek. De schade door de Duinkerkers aangericht was zo groot dat de Staten-Generaal een militaire expeditie tegen de stad gelastten. Van de land en de zeezijde zou de stad aangevallen en ingenomen dienen te worden. Maurits was mordicus tegen: een dergelijke tocht zou hem te ver in vijandelijk gebied voeren. Het zou het Spaanse leger de mogelijkheid bieden hem van zijn thuisbasis af te snijden met de vernietiging van het Staatse leger als uitkomst en alle gevolgen van dien. Het handelsbelang van Hollands kooplieden woog echter zwaarder dan de voorzichtigheid van de prins. De Staten en Oldenbarnevelt dreven hun zin door en in de kortste tijd werd er een invasie voorbereid en uitgevoerd. Door tegenwind kon men geen gebruik maken van de stad Oostende, maar landde men op de Vlaamse kust ten oosten van Sluis bij Philippine. Dat men zich niet voorzien had van goede kaarten van het gebied demonstreert hoe geïmproviseerd bij alle voorbereidingen de onderneming toch was. Wie gemeend mocht hebben dat de Vlamingen de troepen van de Republiek juichend zouden binnenhalen, kwam bedrogen uit. Het jaren lang uit Oostende gebrandschatte land bood een desolate aanblik, zeker nadat het Staatse leger erdoor getrokken was.
De Staatse inval wekte uiteraard de ontzetting van de aartshertogen op. Met hun persoonlijke inzet en kapitaal overtuigden zij de muitende Spaanse troepen van de noodzaak van tegenactie. Met het verlies van Duinkerken zouden de koninklijke Nederlanden weer een belangrijke haven verliezen en vrijwel afgesneden zijn van de zee. Uiteindelijk gaven de troepen gehoor aan de smeekbeden van de vorsten en in rap tempo bereikten zij zo snel de kuststreek dat prins Maurits slechts enkele uren voor hun nadering van hun komst op de hoogte werd gesteld. Dat waarvoor hij gewaarschuwd had leek nu bewaarheid: het Staatse leger afgesneden van de Republiek en door het koninklijk leger vernietigd of in zee gedreven. Alleen een treffen in open veld kon de beslissing brengen. Op het strand en in de duinen van Nieuwpoort vond de veldslag plaats, waarbij het Staatse leger ternauwernood de overwinning behaalde. De almirant van Aragon was een van de voornaamste Spaanse krijgsgevangenen, nog enkele jaren in Den Haag vastgehouden. Aartshertog Albrecht ontkwam, maar zijn paard werd als oorlogstrofee naar Den Haag meegevoerd. Met gevoel voor propaganda liet Maurits zich zittend op het paard portretteren. Prenten van de slag verbreidden de roem van Maurits en de Republiek in binnen en buitenland. Albrecht had door de uitkomst van de slag zijn krediet als veldheer verspeeld. Toch was de overwinning zonder echte gevolgen. Na enig overleg met de afgevaardigden van de Staten in Oostende sloeg Maurits – zonder veel vertrouwen – het beleg voor Nieuwpoort zelf. Daar werden de Hollanders met eigen middelen verslagen: nu waren het de belegerden die in het voordeel waren van de geografische situatie. Door hun ingenieuze inundaties maakten zij een echte belegering onmogelijk. Zoals in 1914-1918 de waterstaatkundige mogelijkheden door de Vlamingen werden uitgebuit om zich te hand­haven, zo ook in 1600. Onverrichterzake en in slecht humeur trok de prins zich met het leger terug naar de Republiek.

De land- en zeeoorlog tijdens Ambrogio Spinola
Met de komst in 1598 van de Genuees Ambrogio de Spinola diende zich in het koninklijk leger voor de tweede keer een Italiaan aan als legeroverste. Puissant rijk bracht hij zijn eigen kapitaal mee, waarmee hij het beleg van Oostende financierde. De onderneming van Maurits had aangetoond hoe onduldbaar het was dat deze stad in handen van de Staten bleef. Drie jaar heeft het beleg geduurd, drie jaar omdat de Staatsen de stad konden blijven bevoorraden van overzee. Pas de persoonlijke bemoeienis van Spinola bracht een doorbraak in de gebeurtenissen, zoals in de bijdrage van Piet Lombaerde aan deze bundel te lezen is. Toen Oostende op 20 september 1604 uiteindelijk overging van Haagse in Brusselse handen, was de stad niet meer dan een smeulende puinhoop, die helemaal opnieuw opgebouwd moest worden. Tegelijkertijd had Oostende drie jaar het koninklijk leger vastgehouden in Vlaanderen en was er geen offensief in het Noorden geweest. Op een spotprent ten gunste van de Republiek is een Nederlandse leeuw afgebeeld die verlost is van een doorn in zijn poot, alsof de Republiek het bezit van Oostende liever kwijt dan rijk was. Gedurende het beleg van Oostende had prins Maurits verschillende andere veroveringen gemaakt: zo had hij in 1602 de vestingstad Grave aan de Maas weten in te nemen. In hetzelfde jaar probeerde hij de vijand weg te lokken van Oostende door het beleg voor Den Bosch te slaan. De stad was echter goed voorzien van manschappen en wel beveiligd, zodat noch het een, noch het ander lukte. Wel nam de prins de Duitse stad Rijnberk (Rheinberg) en – eveneens bedoeld om de vijand van Oostende weg te lokken – de Vlaamse steden Aardenburg en Sluis. Met het slaan van een penning deed men het voorkomen alsof het verlies van Oostende niet opwoog tegen de inname van vier steden: Aardenburg, Grave, Cadzand, Sluis. Tegelijkertijd had de Republiek een ander verlies geleden: in 1603 was koningin Elisabeth overleden. Weliswaar was haar steun lang niet onvoorwaardelijk geweest en had zij zich voor haar hulp dik laten betalen, maar haar dood maakte in 1604 de weg vrij voor de vrede tussen Engeland en Spanje, zodat de Republiek voortaan zonder buitenlandse hulp de Spaanse legermacht te verduren had.
De val van Oostende maakte het koninklijke leger vrij om elders in de aanval te gaan. De strijd bleef een vestingoorlog, een schaakspel met zetten over en weer. Spinola voerde zijn leger over Duits grondgebied naar de onbeschermde flank van de Nederlandse Republiek. In 1605 en 1606 nam Spinola twee sterkten in Duitsland: de stad Lingen en de vesting Rijnberk, die de bovenloop van de Rijn controleerde en van waaruit de handel van de Republiek werd benadeeld. In de Achterhoek nam hij de steden Oldenzaal en Groenlo, waarmee hij inbrak in de zo fier gesloten tuin. In het spoor van het koninklijke leger keerde daar ook de katholieke kerk terug. Gedurende twee decennia zou de streek onder koninklijk en katholiek gezag blijven, voldoende voor de Contrareformatie om er vaste voet aan de grond te krijgen en te houden. Tot op de dag van heden zijn de door Spinola heroverde stadjes en dorpen katholieke enclaves in protestants gebied gebleven. Een beurskrach in Milaan maakte echter een einde aan de onbeperkte middelen van Spinola. Al in 1607 werd er een wapenstilstand van zes maanden gesloten. Spinola leidde persoonlijk in 1608 te Den Haag de vredesbesprekingen, die weliswaar niet in een vrede uitmondden, maar in het Twaalfjarig Bestand. Dat gaf elke partij de gelegenheid haar eigen bezit te consolideren. Toen het Bestand in 1621 afliep hoopten velen op een omzetting daarvan in een permanente vrede. Maar aan beide kanten won de oorlogspartij. In Brussel overleed aartshertog Albrecht, waarna Isabella alleen de landvoogdij voortzette in naam van haar neef, de in 1621 aangetreden koning Filips IV. De situatie was des te verontrustender omdat in 1618 in het Duitse Rijk de Dertigjarige Oorlog was uitgebroken. Spinola had zich ook daar al in de strijd geworpen door in 1620 de Palts te bezetten en in 1622 Gulik (Jülich) in te nemen. In hetzelfde jaar verlegde hij zijn oorlogstoneel naar de Nederlanden en sloeg hij het beleg voor Bergen op Zoom. De stad wist echter het leger te weerstaan: van dit beleg dateren de bekende regels: ‘Berg op Zoom, houdt u vroom, stut de Spaanse scharen’. Het volgend beleg van Spinola werd opnieuw een huzarenstukje: in 1625 waagde hij het de Oranjevesting Breda aan te vatten. De stad werd volgens alle regelen der kunst ingesloten en het eigen kampement zo beveiligd dat de pogingen tot ontzet stukliepen op de perfecte organisatie. Spinola’s belegering en inname van Breda vonden een enorme weerklank aan koninklijke zijde en werden vastgelegd in inkt en verf. De jezuïet Hermannus Hugo wijdde in het Latijn een groot boek aan de geschiedenis van het beleg, versierd met schitterende gravures en weldra vertaald in het Spaans, Frans en Engels, maar niet… in het Nederlands. Velazquez schilderde een fantasievoorstelling, La Rendición de Breda of Las lanzas. De verf was nog niet droog of in 1637 viel de stad weer in handen van Frederik Hendrik, die in 1625 zijn broer Maurits was opgevolgd.
Achteraf gezien bleek de inname van Breda door de koninklijken onder Spinola het laatste grote wapenfeit aan Spaanse zijde. Een nieuw staatsbankroet in 1627 beperkte de bewegingsmogelijkheid van de staat. Bovendien leidde de internationale situatie Spanje opnieuw af van de oorlog in de Nederlanden: de Spaanse regering mengde zich liever in de opvolgingsstrijd in Mantua dan dat ze de oorlog tegen de Republiek ondersteunde. Spinola hield het daarop voor gezien en trok naar Italië terug. Daarmee kwam het initiatief aan Frederik Hendrik, die net als Maurits een aanvallende oorlog voerde en om te beginnen Spinola’s heroveringen in de Achterhoek ongedaan maakte. De verovering van de Spaanse zilvervloot door Piet Heyn in 1628 leverde geld op voor de grote onderneming van 1629: de inname van Den Bosch. Nu was het een Nederlands ingenieur, Jan Adriaanszoon Leeghwater, die met dammen en droogleggingen de Bossche inundaties overmeesterde. Overigens vond in hetzelfde jaar Piet Heyn de dood in een zeegevecht met kapers die opereerden vanuit het in 1604 gevallen Oostende. Het verraad van enkele Zuid-Nederlandse edelen in 1632 maakte het Frederik Hendrik mogelijk om zonder noemenswaardige tegenstand een veldtocht langs de Maas te ondernemen: Roermond, Venlo en Maastricht waren aan het einde van het jaar in Staatse handen. Een jaar later stierf de landvoogdes Isabella, wie weet van verdriet om de verliezen die zij had moeten lijden. Haar bestuur had echter in de loop der jaren een grote solidariteit van de bevolking verworven. De Staten van Vlaanderen en de Staten van Brabant voteerden enorme sommen voor de voortzetting van de oorlog en de handhaving van het Brussels bewind, dat zij ondanks de invloed van Spanje als het hunne beschouwden. Toen in 1635 het Brabantse Tienen door Nederlandse en Franse troepen werd uitgemoord, was de publieke opinie fel tegen de Nederlanders en de Fransen gericht. Doordat Frankrijk Spanje weer de oorlog had verklaard, moesten de koninklijke Nederlanden andermaal een oorlog op twee fronten voeren, dikwijls met desastreuze gevolgen, maar regelmatig ook met succes. Zo heeft Frederik Hendrik vergeefs geprobeerd Brugge en Antwerpen in te nemen. Wel lukte hem de herovering van Breda in 1637 en de inname van Hulst in Zeeuwsch-Vlaanderen. Zijn veroveringen gaven de Republiek de politieke grenzen die uiteindelijk bij de Vrede van Münster bevestigd werden. Die grenzen bleven in grote lijnen dezelfde als die welke we dagelijks op de weerkaart kunnen zien.

Literatuur
De standaardwerken zijn: Geoffrey Parker, The Dutch Revolt (eerste druk: London : Allen Lane, 1977, verschillende herdrukken) en Jonathan Israel, The Dutch Republic : its rise, greatness, and fall, 1477-1806 (Oxford : Clarendon Press, 1995). De internationale belangstelling voor de relatie tussen Spanje en de Nederlanden kwam tot uiting op een groot congres te Madrid in 2002: España y las 17 provincias de los Países Bajos : una revisión historiográfica (XVI-XVIII) (2 dln., Madrid : Fundación Carlos de Amberes, 2002). Voor de militaire revolutie, zie: Geoffrey Parker, The military revolution : military innovation and the rise of the West, 1500-1800 (Cambridge : Cambridge University Press, 1995, second edition). Kritische kanttekeningen daarbij in: John Childs, Warfare in the seventeenth century (London : Cassell, 2001). Hoe Filips II er niet in slaagde een goede vloot naar de Nederlanden te sturen in de jaren 1570 wordt uit de doeken gedaan in: ‘La otra Invencible’, 1574 : España y las potencias nórdicas (Madrid : San Martín, 1983). De inname van Sluis in 1587 door Parma is te vinden, behalve bij de contemporaine geschiedschrijvers, in Léon van der Essen, Alexandre Farnèse, prince de Parme, gouverneur général des Pays-Bas (1545-1592) (5 tom., Bruxelles : Librairie nationale d’art et d’histoire, 1933-1937), deel V, hoofdstuk IV. Robert Fruin, Tien jaren uit den Tachtigjarigen Oorlog 1588-1598 verscheen voor het eerst in Leiden in 1856 en is keer op keer herdrukt, voor het laatst in 1984. Een biografie van Maurits gaf A.Th. van Deursen, Maurits van Nassau, 1567-1625 : de winnaar die faalde (Amsterdam : Bert Bakker, 2000). Een moderne biografie van Willem Lodewijk ontbreekt, helaas, maar zeer lezenswaardig is de moderne vertaling door P. Schoonbeeg van de contemporaine biografie die Ubbo Emmius aan hem wijdde: Willem Lodewijk, graaf van Nassau (1560-1620) stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe (Hilversum : Verloren, 1994). Aan het leven en streven van de aartshertogen is in 1998 een grote tentoonstelling in Brussel gewijd, vergezeld van een tweedelige publicatie: Werner Thomas, Luc Duerloo red., Albrecht & Isabella, 1598-1621 : catalogus en Albert & Isabella, 1598-1621 : essays (Turnhout : Brepols, 1998). In dit laatste ook een artikel over Spinola. De financiële situatie van het Zuiden is van Spaanse zijde belicht door Alicia Esteban Estríngana, Guerra y finanzas en los Países Bajos católicos : de Farnesio a Spínola (1592-1630) (Ma­drid : Laberinto, 2002). De tweede helft van de Tachtigjarige Oorlog in het Zuiden wordt voortreffelijk behandeld door de Gentse historicus René Vermeir, In staat van oorlog : Filips IV en de Zuidelijke Nederlanden, 1629-1648 (Maastricht : Shaker Publishing, 2001). In: Jaap R. Bruijn, Cees B. Wels red., Met man en macht : de militaire geschiedenis van Nederland 1550-2000 (Amsterdam : Balans, 2003) komt de cruciale periode van de Tachtigjarige Oorlog uiteraard uitvoerig ter sprake. Een schat aan informatie is ten slotte te vinden op de website van de Universiteit Leiden over de Tachtigjarige Oorlog: http://dutchrevolt.leidenuniv.nl. Hierin bijvoorbeeld in de rubriek Brieven: 1573 Willem van Oranje aan de bevelhebbers in het Noorderkwartier, en vele andere zaken.

 
vorige pagina volgende pagina