Bibliotheken Tentoonstellingen Sluis

OOSTENDE VERLOREN, SLUIS GEWONNEN, 1604

Tentoonstelling in de Universiteitsbibliotheek van 12 augustus - 12 september 2004
Samenstelling:
Dirk de Vries 
Met bijdragen van Charles van den Heuvel, Anton van der Lem en Piet Lombaerde

 

Woord vooraf
De strijd om de Vlaamse havens tijdens de Tachtigjarige Oorlog
De legertent als bibliotheek. Vroeg zeventiende-eeuwse theorieën over legerhervormingen en logistiek in het veld
Oostende afgesneden, belegerd, opgegeven en ingenomen: 1599 -1604
Cartografische beeldkroniek van de strijd om Sluis in 1604
Beeldkroniek I, II, III,
Catalogus I, II, III, IV


Cartografische beeldkroniek van de strijd om Sluis in 1604
Dirk de Vries



Inleiding
Sluis in Vlaanderen was zowel voor de landvoogd Parma in 1587 als voor Prins Maurits in 1604 de sluitsteen in een reeks van militaire successen. De eerste rondde er zijn pacificatie van de Zuidelijke Nederlanden mee af, en nadat Maurits in 1604 de vesting weer aan Staatse zijde had gebracht, zou deze geen andere vero­vering van naam meer aan zijn lauwerkrans toevoegen. Tussen die twee jaren ligt de periode waarin de tuin van de jonge Republiek gesloten werd, dankzij de inspanningen van het Staatse leger, aangevoerd door Maurits en Willem Lodewijk.
De Staten-Generaal en de raadpensionaris Van Oldenbarnevelt was er alles aan gelegen om Oostende, het enige bruggenhoofd in Vlaanderen dat nog in Staatse handen was, te behouden en, indien mogelijk, uit te breiden. Met tegenzin, na de angstige ervaring van de veldtocht van 1600, trok Maurits er in het voorjaar van 1604 weer heen, in een laatste poging de door Spinola wel zeer in het nauw gebrachte vesting te ontzetten. In de kortst mogelijke tijd wist hij zijn leger bij Willemstad te verzamelen, en niet lang daarna lag eind april de invasievloot van achthonderd schepen op de rede van Walcheren, bij fort Rammekens gereed om elfduizend manschappen naar de overkant te brengen. De eerste aanval was gericht op het Eiland van Cadzand om van daaruit het Zwin over te steken en zo langs de kust naar Oostende op te trekken. Het eiland was snel veroverd, maar vanwege stevig Spaans verweer lukte het niet het Zwin over te steken. Om Vlaanderen binnen te komen koos men nu een oostelijker route. Tussen Sluis en IJzendijke was onder Parma langs de Brugse Vaart een verdedigingslinie aangelegd, die, eenmaal in handen van de Republiek, de verbinding tot stand kon brengen met het enige stukje Vlaanderen dat al in haar bezit was, de driehoek Biervliet, Terneuzen, Axel. De daar gelegen schansen Coxijde, Cathelijne en St. Philip werden snel genomen, waarna op 10 mei, na een kort beleg van zeven dagen, IJzendijke volgde. In een omtrekkende beweging ging het nu op Aardenburg aan, dat zonder slag of stoot op 12 mei werd ingenomen. De Duitse bezetting van 1500 man onder commando van Luxemburg had er de vlucht genomen omdat ze geen kans zag de stad te verdedigen. Daarvoor was ze te groot: ‘Bijna van de grootte der stad Utrecht,’ schreef een lid van de Staten-Generaal uit dat gewest. Bovendien waren de vestingwerken te zeer verwaarloosd, en wat er nog aan huizen stond was niet veel meer. Na veel intern beraad viel het besluit de verworven posities bij Cadzand, IJzendijke en Aardenburg te consolideren om vervolgens een poging te doen nu toch Sluis aan te tasten, wellicht om, mocht het met Oostende misgaan, daarvoor een redelijke compensatie in handen te hebben. Bovendien vormde deze stad aan het open water van het Zwin of Sluise Gat sinds 1599, toen het een basis voor Spaanse galeien was geworden, een geducht gevaar als kapershaven in wording met name voor de Zeeuwse schepen die Oostende moesten bevoorraden. Om ten westen van Sluis te komen en het Zwin af te sluiten moesten de twee parallel lopende waterwegen tussen Sluis en Damme, de Zoete en de Zoute, overgestoken worden. Daarbij stuitte het leger bij Moerkerke op stevig verzet van de Spaanse bevelhebber Don Luis de Velasco met vijftienduizend man voetvolk en veel goed bewapende ruiterij. Het werd daar een ware veldslag, op de prent van Floris Balthasar levendig verbeeld.
In de tweede helft van mei kon met de omsingeling van Sluis begonnen worden. Toen al had men uit onderschepte brieven vernomen dat in de vesting onvoldoende voedsel voorradig was om een beleg lang uit te houden, reden voor Maurits om te besluiten de stad uit te hongeren in plaats van haar met een bestorming te nemen. In het geïnundeerde gebied ten oosten en zuidoosten van de stad legde hij daarvoor een ingenieus systeem van loopgraven, dijkjes en schansen aan. Kreken en killen werden met sloepen en schepen versperd. Het kampement van de heer Van der Noot, één van de Staatse commandanten, lag er midden in. De kaarten tonen in het iets hoger gebied ten westen en zuiden van de stad de legerplaatsen van Maurits, Willem Lodewijk en Ernst Casimir. Naarmate de tijd verstreek werd het steeds moeilijker van binnenuit door deze omsingeling heen te breken, zodat de nood in de belegerde veste hoog begon op te lopen. Niet alleen de burgers, ook een groot aantal soldaten en nog eens meer dan veertienhonderd galeislaven probeerden zich met de moed der wanhoop in leven te houden. Eindelijk kwam Spinola in de laatste week van juli Sluis te hulp met zoveel troepen als hij voor Oostende kon missen. Nadat twee pogingen om door de omsingeling bij het Vlaamse Middelburg en het fort Terweelde heen te breken mislukt waren, volgde er in de nacht van 6 op 7 augustus een verrassingsaanval van drieduizend voetknechten en twaalf ruiters op het legerkamp van de Friese stadhouder Willem Lodewijk. Ze wisten tot bij de grachten en de poort door te dringen en maakten zich gereed om met ladders over de omwalling te klimmen. Maar verder kwamen ze niet. ‘Groote couragieusheid vertoonde ons volk,’ vertelt een ooggetuige. ‘Ik zag sommige vrouwen mede bijcomen, en hadden mede wapens in de hand.’ Enkele dagen voor de overgave deed Spinola een laatste krachtige poging de stad te ontzetten. Buiten de omsingeling om trok hij onverwachts en in ijltempo met een aanzienlijke macht over St. Kruis in de richting van Oostburg, wist de Cathelijneschans te nemen, de Brugse Vaart over te steken en dacht zo het Eiland van Cadzand binnen te vallen om van daaruit de bevoorrading van het Staatse leger aan te tasten. Zijn bloedige nederlagen bij de schans Coxijde en bij de forten van de Oostburgse brug bezegelden uiteindelijk het lot van Sluis. In de avond van 19 augustus werden de voorwaarden van capitulatie getekend. De volgende dag ‘zijn de Spaensche daer uytghetrocken, tusschen de drie ende vier duysent mannen wel ghewapent ende de 14.hondert Slaven, meest Turcken’, vermeldt Van Meteren en hij evalueert, na de overgave van Oostende een maand later, de nieuwe situatie aldus: ‘Also de Vereenichde Landen Sluys nu hadden, en(de) daer mede middel en(de) stoffe hadden om d’Oorloghe in Vlaenderen te brengen, ende uyt haer Landen te weeren, soo dachten sy dat het verlies van Oostende hun soo veel niet schaden soude als te voren.’ Baudart gaat daarin een stap verder: ‘Het verlies van Oostende is met deze victorie dobbel en dobbel gerecompenseert ende vergoedet, want Sluys veel propijser voor de Staten ghelegen is om Vlaenderen in contributie te houden, als Oostende.’[1]
Het grote publiek werd en voelde zich betrokken bij wat er aan de frontlijn gebeurde door de alledaagse werkelijkheid van dreiging, belasting, schaarste en propaganda, die de oorlog dicht bij huis brachten. De nieuwsvoorziening omtrent de krijgsfeiten speelde daarop in en draaide dan ook op volle toeren. Veel drukkers vonden een dankbaar publiek niet alleen voor hun vlugschriften en nieuwstijdingen, waarvan de oplagen op minstens enkele honderden geschat mogen worden, ook de pictorale vorm van nieuwskaarten en prenten vond gewillig aftrek. De grote wapenfeiten van Prins Maurits uit de jaren 1590 tot 1604 vormden een belangrijk thema voor deze nieuwscartografie. De hier geboden contemporaine beeldkroniek van de strijd om Sluis in 1604, zijn laatste grote wapenfeit, vormt een onmisbare aanvulling op de geschreven en gedrukte weergave van de historische waarneming.
In de grafische verbeelding van geografie en topografie ontkomt de cartograaf er niet aan deze geselecteerd weer te geven, en dit geldt des te meer wanneer in het selectieproces politieke stellingname en strijd meespelen, zoals bij nieuwskaarten. Bovendien moet daarbij onderscheid gemaakt worden tussen de betrouwbaarheid van de kaart en die van het verbeelde historische feit. Overigens zullen de makers van de nieuwskaarten van Sluis zich eerder bekommerd hebben om de in hun ogen meest verantwoorde verbeelding van de veldtocht van Maurits of van het beleg van de stad, dan om de nauwkeurigheid van de kaart. Niet alleen door gegevens weg te laten of toe te voegen, ook door de keuze van de grenzen van het kaartbeeld neemt de cartograaf een positie in. Staat Oostende er wel op, dan wordt daarmee verwezen naar het oorspronkelijk doel van Maurits’ veldtocht, het ontzet van deze stad; komt Vlissingen erop voor dan kan dit een verwijzing inhouden naar het noordelijk deel van Vlaanderen als de voormuur van Zeeland. De zorg, kwaliteit en omvang waarmee de stoffage van vloten, legers en ruiters is toegevoegd om de handeling te verbeelden, houden evenzoveel indicaties in van roem, dapperheid en volharding. Maar dat niet alleen, ook kunnen we er meestal aan aflezen in welk kamp we de graveur moeten plaatsen. Wanneer François Horenbault uit Gent de tweede staat van zijn kaart actualiseert door enkele nieuwe forten bij Sluis toe te voegen, plaatst hij daarop Spaanse vlaggetjes met het andreaskruis, terwijl elders op zijn kaart geen vlaggen voorkomen. Anderzijds wijzen het in acht nemen van een zekere beperking in het aanbrengen van de historische stoffage en een groter accent op de cartografie, zoals bij Horenbault en Giustiniano, beide uit het Spaanse kamp, op het inschakelen van professionele kaartmakers. Allegorische afbeeldingen en teksten in de vorm van opdrachten, bijschriften en legenda zijn in deze nieuwskaarten met een politieke boodschap essentiële elementen. Vaak biedt het kaartbeeld zelf daarvoor te weinig ruimte, en wordt de tekst in boekdruk op een los vel daarbij geleverd om aan de prent te monteren.
Elk van de hier beschreven achttien kaarten[2] geeft een persoonlijk getint beeldrelaas van de strijd ter meerdere glorie van het kamp waartoe men behoort of van zichzelf. Zo steekt ‘Fama’ op de kaart van Floris Balthasar (nr. 5.2) op de inneming van Sluis twee loftrompetten, waaraan de vaandels van de Republiek en van Maurits zijn bevestigd. Een overwinning als deze was dan reden voor een feestje, zoals te Amsterdam kort na de inneming van Sluis, eind augustus 1604. Een ooggetuige vertelde aldus: ‘Belangende Sluys daer hebben wij verleeden sondach savonts so geweldich over gevictorijt als ick oyt van myn leeven heb gesien; tscheen boven de stat als off de geheelle stat in brant hadde gestaen, soo veel teertonnen werden der gebrant’.[3]
Maar er is meer. Deze prenten laten ook, en dat is opmerkelijk, de ontreddering en totale verwoesting van een eens welvarende landbouw zien, sinds 1584 veranderd in een geïnundeerd schorrengebied met hier en daar een vesting, fort of linie; en dat zou zo tot ca. 1650 blijven. Geen ander gebied in de Republiek heeft zo’n immense tol moeten betalen. Enkele citaten uit een lezing over westelijk Staats-Vlaanderen in 1604 van Hendrik Anthonie Callenfels (1791-1860), burgemeester van Oostburg en schoolopziener, geven een treffende impressie van deze verlatenheid. ‘Oostburg lag net als een knipselspelletje door elkander; echter hoorde men er de menschen niet klagen, want daar waren er geene’, ‘waar Schoondijke nu ligt, zeilde men met hengsten van Nieuwerhaven door een zeegat (nu Molenkreek) naar de Brugsche Vaart en vertelde dan elkander, waar Nieuwkerk, Noormansdorp, Vulendike en nog veel meer andere plaatsen gelegen hadden’.[4]
In 1604 is de overwinning van Sluis uitbundig gevierd, maar of men in 1704 en 1804 de eerste en tweede eeuwfeesten met vreugde heeft herdacht, mag worden betwijfeld; men had toen andere zorgen aan het hoofd. Nadat Callenfels er in 1824 nog een woord aan had gewijd, is in 1904, dankzij De Hullu met zijn Verovering van het Land van Cadzand, ‘het eeuwgetijde niet onopgemerkt voorbijgegaan’.[5] In 2004, na vier eeuwen, vormen de hier getoonde en beschreven nieuwskaarten in een beeldkroniek een aanvulling op de geschreven geschiedenis. Ze presenteren behalve de roem van de overwinning ook de ellende van oorlog.
De nieuwskaarten van de Vlaamse veldtocht van 1604 zijn voor zover dat mogelijk was chronologisch geordend op basis van de datering van de voorstelling. Van twee kaarten zijn twee staten teruggevonden, die van Floris Balthasar (nr. 5) en van Horenbault (nr. 11) en in één geval zelfs acht, de kaart van Hon­dius/Visscher (nr. 16).
Wat het in het kaartbeeld opgenomen gebied betreft is het volgende onderscheid te maken. Naast kaarten die de gehele regio weergeven waar de veldtocht van 1604 zich afspeelde, zijn er die van Sluis en directe omgeving en van enkel de stad Sluis.
Naarmate de maker, c.q. uitgever van de nieuwskaart in de tijd op groter afstand van het jaar 1604 komt te staan, vindt er ook een verschuiving plaats: van contemporain beeldverslag naar historieprent, naar afbeelding in boek of atlas. Opmerkelijk daarbij is ook dat de invulling van de historische handeling geleidelijk aan eenvoudiger wordt en minder voorstelling vraagt.
Hoewel er geen sprake kan zijn van een consistente ontwikkelingslijn in de voorstellingen van veldtocht en beleg, zijn er hier en daar toch ontleningen vast te stellen, die in de beschrijvingen aan de orde komen. De onder nr. 2 beschreven anonieme prent, waarvan in Nederland slechts één exemplaar aanwezig is, staat in deze filiatie vooraan. Een opmerkelijke plaats, als zeer vroege voorstellingen, nemen de twee kaarten van Pieter van den Keere (nrs. 3 en 4) in, die als kaartbijlage aan het belangrijke, en zeldzame werk, Belägerung der Statt Ostende. Iournal, uit 1604 waren toegevoegd, waarvan de Leidse Universiteitsbibliotheek in 1978 een exemplaar wist te verwerven. De meest prominente prent wat formaat én inhoud betreft is die van Floris Balthasar (nr. 5).[6] Naar de kwaliteit en originaliteit van de cartografie te oordelen, staan de twee kaartmakers uit het Zuidelijk kamp vooraan, Horenbault en Giustiniano (nrs. 11, 12 en 13).

vorige pagina volgende pagina