Bibliotheken Tentoonstellingen Balkan in kaart

Balkan in kaart

Tentoonstelling van 4 september tot 16 oktober 2003 in de Universiteitsbibliotheek
Samenstelling: Harrie Teunissen en John Steegh


Inleiding

Tentoonstelling

Inhoud begeleidend essay




Begeleidend essay 1

1.  Wat zegt de naam Balkan?

Deze inleiding van de catalogus ‘Balkan in kaart’ geeft geen overzicht van de ontwikkeling van de cartografie van de Balkan. Daarvoor ontbreekt het, met name voor de 19e en 20e eeuw, aan de nodige studies, zeker in voor ons toegankelijke talen. Wel gaat ze in op de historische en geografische context van de tentoongestelde kaarten. In drie hoofdstukken worden enkele kwesties aan de orde gesteld die de geschiedenis van identiteit op de Balkan bepalen. Het eerste schetst de opkomst van de term Balkan voor het zuidoosten van Europa en de merkwaardige beeldvorming rond die naam. Dan volgt een overzicht van politieke en militaire grensverleggingen op de Balkan van de 16e tot en met de 20e eeuw; ter sprake komen met name de rivaliteit tussen Habsburgers en Ottomanen, het ontstaan van nationale staten en een overzicht van de Balkanoorlogen tot de balkanisering van Joegoslavië. Het laatste hoofdstuk bespreekt de overgang van de centrale rol van de religieuze identiteit in het Ottomaanse millet-systeem naar de politieke symboliek van nationale mythes. Deze inleiding gaat nauwelijks in op vakdiscussies, wel is een lijst met geraadpleegde literatuur opgenomen.

In deze inleiding is systematisch onderscheid gemaakt tussen ingezetenen van een staat (Turk, Serviër, met hoofdletter dus) en mensen die een bepaalde taal spreken (turk, serviër, met een kleine letter). Dat zijn op de Balkan bijzonder relevante verschillen! Juist de nationalisten proberen van iedere serviër een Serviër te maken. Vandaar dat het woord Turk alleen met een hoofdletter wordt geschreven vanaf de oprichting van de republiek Turkije. Voor die tijd gaat het staatkundig om Ottomanen en wat taal betreft om turken, albanezen, serviërs, grieken, enzovoorts.


‘Turkije in Europa’
Het woord ‘balkan’, woeste berg(keten), komt met de Ottomanen naar Zuidoost-Europa. In de 15e eeuw noemen turken de bergrug die van oost naar west dwars door Bulgarije loopt zo; in het Slavisch heet die: Stara Planina. Vanaf eind 16e eeuw dringt de benaming ‘Balkan’ in berichten door als equivalent van het antieke Haemus. Nu kleeft aan deze Haemusberg(keten) een hardnekkige mythe. De historicus Polybius stelde meer dan 2000 jaar geleden dat vanaf haar top bij helder weer de Zwarte Zee, de Adriatische Zee én de Donau te zien waren. De geograaf Strabo, die dit vergezicht te vergezocht vond, beschouwde het Haemusgebergte wel als de grote waterscheiding en als de natuurlijke grens tussen de Thracisch-Helleense wereld enerzijds en de barbaarse gebieden langs de Donau anderzijds. Op basis van dit klassieke verhaal reproduceren geografen eeuwen lang de opvatting dat de Haemus de majestueuze bergketen vormt die van de Zwarte Zee naar de Adriatische Zee en vandaar via de Albanese en de Dinarische Alpen naar de Golf van Venetië in het noordwesten loopt, en via het Pindusgebergte naar de Peloponnesos in het zuiden. Deze historisch-geografische mythe rond de ‘Haemi montes’, die men ook terugvindt op Ptolemaeus-kaarten uit de Middeleeuwen, ligt ten grondslag aan de uitbreiding van de naam Balkan. In 1808 introduceert de Duitse geograaf August Zeune het begrip ‘Balkanschiereiland’; aanvankelijk met weinig succes. West-Europa blijft bij zijn varianten op ‘Turkije in Europa’ en het Ottomaanse Rijk hanteert nog steeds ‘Roemeli’ (land der Romeinen). Hoewel in de 19e eeuw duidelijk wordt dat die ononderbroken bergketen niet bestaat, wordt door de territoriale teruggang van ‘Europees Turkije’ de naam Balkan na 1878 toch dč geografische aanduiding van heel Zuidoost-Europa. Geen ander deel van Europa kent zoveel verschillende landschapstypen, maar woeste bergen karakteriseren de regio. In dat opzicht is de recente naam Balkan adequaat.

Fysische en sociale geografie van de Balkan

De fysisch-geografische structuur van het schiereiland heeft grote gevolgen. Zelfs over kleine afstanden zijn er grote verschillen in klimaat en vegetatie. Verdroging van het binnenland is er net zo’n probleem als in Spanje, en de Sava, de Vardar en de Maritsa zijn mede daardoor ongeschikt als handelsrivieren. Vaak verhinderen bergen regelmatige contacten tussen bewoners van de ene vallei met de volgende en werken compartimentering van de macht in de hand. Oude tradities leven zo makkelijker voort tot in de moderne tijd. Dit geldt ook voor het stelsel van Romeinse wegen, dat nog eeuwen lang door de Ottomanen wordt gebruikt. Voorzien van karavanserais en haltes voor de wisseling van paarden vormt het de basis voor hun postsysteem. Maar in de loop van de 19e eeuw verliezen deze oude verbindingen aan betekenis. In de ontwikkeling van spoorwegen blijft de Balkan zuidelijk van de Donau duidelijk achter, ook vergeleken met Centraal-Europa. De demografische ontwikkeling op de Balkan loopt aanvankelijk parallel met die van de rest van Europa. Na de Ottomaanse verovering kent de regio in de 16e eeuw voorspoed en een snelle bevolkingsgroei. De grote crisis begint pas eind 17e eeuw, als oorlogen en hongersnoden hun tol eisen. Terwijl elders vanaf de 18e eeuw met overheidsmaatregelen epidemieën snel onder controle zijn, woekeren deze op de Balkan nog een eeuw langer door. De demografische sprong komt dus later. Bij de eerste Ottomaanse volkstelling (1831) heeft Europees Turkije zo’n 10 miljoen inwoners. Met Servië, Kroatië en Roemenië erbij zijn het er 20 miljoen. Maar in 1920 telt de Balkan 42,5 miljoen mensen en groeit de bevolking harder dan elders in Europa. Deze demografische druk leidt – met name bij slechte oogst – tot banditisme en later tot grote emigratiegolven naar de Nieuwe Wereld. De opkomst van een stedelijke samenleving, met kleine gezinnen, moderne consumptie, industrie en dienstensector, is pas een zaak van de laatste generaties. Tot ver in de 20e eeuw domineren boeren en dorpen de Balkan. Zij is daardoor voor moderne Europeanen een achtergebleven gebied op de grens van Europa en het Midden-Oosten. Maar deze typering legt ook de hegemonie van het Westen bloot.


De Balkan in West-Europese ogen

Van de 16e tot de 18e eeuw wordt het Ottomaanse Rijk vooral gezien als culturele eenheid. Het beeld in West-Europa van deze Oriënt slingert heen en weer tussen afwijzing en bewondering. Een aardige afspiegeling hiervan vormen de brieven van Lady Mary Wortley Montagu over haar reis van Londen naar Istanboel in 1716-1718. Zij verkiest de merkwaardige symbiose van christendom en islam in Europees Turkije boven de oorlogen in Hongarije en Transsylvanië die in de 17e eeuw meer dan een miljoen katholieke en protestantse doden hebben geëist. Als vrouw van de Engelse ambassadeur bij de Hoge Porte komt zij vooral in contact met de elite van het Rijk. In Edirne leert ze de succesvolle krasjesmethode tegen de pokken kennen. De vaccinatie van kinderen met menselijke smetstof zal zij, ondanks grote weerstand, in West-Europa verbreiden. Deze aristocratische feministe beschrijft de Turkse baden in Sofia als het café der vrouwen. Voor haar vriendinnen in Engeland zingt zij de lof van de gezichtssluier waardoor ze incognito Istanboel kan verkennen.

In de loop van de 18e eeuw raakt het oriëntaalse beeld van de Europese provincies van het Ottomaanse Rijk op de achtergrond. De Verlichting ontdekt het andere Europa: de landen tussen Oost en West, met aparte geografische en culturele eigenschappen. De filosofische reiziger reist ook in de tijd, want de observatie van zeden en gewoonten, talen en werkwijzen, ‘vooral van volkeren die nog niet beschaafd zijn’, werpt nieuw licht op duistere passages uit de eigen geschiedenis. Midden 19e eeuw is deze zienswijze cliché geworden en karakteriseren schrijvers en journalisten de volkeren van Oost-Europa als ‘tussen Europa en Azië, tussen beschaving en barbarij’ (Balzac). West-Europa is de maatstaf met zijn Verlichting, industrie en koloniën. In een dergelijke ‘géografie humaine’ krijgt de Balkan de status van een halfontwikkelde en halforiëntaalse beschaving. Dit stereotype werkt negatieve zelfwaarneming in de hand.

Hoe de Balkan zichzelf ziet
De beroemdste 17e-eeuwse Turkse reiziger is Evliya Çelebi, met nauwe contacten met het hof in Istanboel. Zijn ‘Seyahatname’ staat vol cultuurhistorisch materiaal over de Europese provincies van Roemeli. Çelebi geeft nauwkeurige beschrijvingen van marktsteden, forten en moskeeën. Zijn reisverslagen zijn van bijzonder belang voor onze kennis over de verbrei­ding van de islam en van soefi-ordes op de Balkan. Voor hem vormen de Europese en Aziatische delen van het Ottomaanse Rijk een eenheid. In de 18e eeuw openen Ottomaanse vazalstaten echter hun poorten voor de Europese Verlichting. Zo vergroot de Griekse prins Constantijn Mavrocordat, tussen 1730 en 1769 afwisselend vazal-heerser over Moldavië en Walachije, zijn speelruimte tussen zijn sultan enerzijds en de Habsburgse keizer en de Russische tsaar anderzijds. Als verlicht despoot schaft hij lijfeigenschap af, al blijft de grond in handen van bojaren en kloosters, en sticht hij academies in Iaşi en Boekarest.
In de 19e eeuw, met de opkomst van natiestaten op de Balkan, wordt de negatieve beeldvorming van het Westen door de elite in hoge mate geďnternaliseerd. Voorbeeld: in een novelle uit 1895 schetst de Bulgaarse schrijver Konstantinov de tegenstelling tussen de Europese beschaving en zijn onsterflijke held Bai Ganjo Balkanski. Deze Bulgaarse tegenhanger van de latere Tsjechische soldaat Schwejk trekt in zijn boerenkledij naar het Wes­ten. Als hij in Europees pak terugkeert, wordt de disharmonie tussen zijn uiterlijk en zijn karakter potsierlijk. In de oppervlakkige imitatie van Europese zeden zonder de verinnerlijking van Europa’s waarden kritiseert Konstan­tinov de parvenu’s van de Balkan. In het eerste deel, over zijn heldendaden in Europa, stelt Bai Ganjo slechts een primitieve clown voor. Bij zijn terugkeer op de Balkan wordt deze ‘nouveau riche’ een gevaarlijke barbaar, dat wil zeggen een corrupte politicus. De Balkan verschijnt hier als een tragikomische overgang tussen verschillende werelden. In de Balkanliteratuur, van Ivo Andrić tot Ismael Kadare, staat niet voor niets de brug centraal als metafoor voor hun geschiedenis. En de kapotgeschoten brug van Mostar vormt het actuele symbool voor ontwrichte verhoudingen op de Balkan.

Kruitvat van Europa
Confrontatie met de Balkan leidt gedurende de 19e eeuw geregeld tot desillusies. Het Europese filhellenisme dat de Griekse onafhankelijkheidsstrijd in de jaren twintig steunt, ontdekt spoedig de kloof tussen zijn ideaalbeeld van het klassieke Hellas en de ordinaire machtsstrijd tussen inheemse facties en tussen de grootmachten. Het latere romantisch nationalisme brengt avontuurlijke zielen wel tot idealisering van deze vrijheidsstrijd. Zo treedt in 1907 de Amerikaan Arthur Smith toe tot een vanuit Bulgarije opgezette Macedonische guerrillagroep. Voor deze slavofiel is de Balkan een mysterieus schaduwland en belichamen haar complotten en waaghalzerij de echte romantiek. Maar met de Balkanoorlogen (1912-1913) komt de negatieve term ‘balkanisering’ op, een begrip dat staat voor staatkundige versnippering en politieke instabiliteit. Door de Eerste Wereldoorlog kantelt het beeld definitief; de Balkan als kruitvat van Europa. De oorlog bezegelt het lot van de veelvolkerenrijken van Habsburgers en Ottomanen. Met het ‘Koninkrijk der Serven, Kroaten en Slovenen’ (het latere Joegoslavië) ontstaat wel een nieuwe meervolkerenstaat, maar het imago van het voortdurende geweld op de Balkan is voortaan gevestigd, ook in romans. In ‘The Secret of Chimneys’ (1925) staat de moord op prins Michael van Herzoslowakije en de bloedwraak van zijn kamerheer Boris Anchoukoff centraal. Het land uit deze detective is een creatie van Agatha Christie met Ekarest als hoofdstad. Het is een Balkanstaat vol woeste bergen, bevolkt door een ras van straatrovers. In de jaren dertig ontwikkelen de Balkanlanden zich tot monarchale dictaturen, maar een massale weerklank van fascisme en antisemitisme blijft beperkt tot de Roemeense IJzeren Garde. Orthodoxen en moslims bezien Hitlers haatdemonstraties tegen de joden in 1938 met verontrusting en verontwaardiging. Tijdens de Tweede Wereld­oorlog beschouwen de nazi’s de Balkan als de voorbestemde economische en politieke uitlopers van het Groot-Duitse rijk in het zuidoosten. Dat diskwalificeert de ‘neutrale’ geografische term Zuidoost-Europa voor generaties.

Eén Europa of ‘botsende beschavingen’?
‘Van Stettin aan de Oostzee tot Triëst aan de Adriatische Zee is een IJzeren Gordijn over het continent neergedaald’ verkondigt Winston Churchill in 1946, deels vooruitlopend op de feiten. De geografische en politieke categorieën van de Koude Oorlog dringen de Balkan uit het westers bewustzijn, haar landen worden nu deel van Oost-Europa. Alleen Griekenland, de ‘bakermat der democratie’, behoort tot het ‘vrije Westen’. De ineenstorting van de communistische regimes na 1989 verstoort de vertrouwde tweedeling en voedt bij politici, wetenschappers en journalisten de behoefte aan andere geografische indelingen. Termen als Centraal-Europa en Balkan spelen opnieuw een rol. Milan Kundera stelde overigens al in 1984 dat opstanden in Hongarije (1956), Tsjecho-Slowakije (1968) en Polen (1956, 1970, 1981) geen Oost-Europese, maar westerse drama’s zijn. Niet de politieke overmacht van de Sovjet-Unie, maar een gemeenschappelijke Cen­traal-Europese cultuur is beslissend voor de bevestiging van de eigen identiteit van deze naties. De afbakening van Centraal-Europa tegenover Rusland is hier duidelijk, maar waar zijn grens met de Balkan ligt blijft ongewis.
In 1993 stelt de Amerikaan Samuel Huntington dat oorlogen tussen nationale staten of ideologieën verleden tijd zijn. Toekomstige conflicten volgen breuklijnen tussen culturen. In ‘Botsende beschavingen’ poneert hij een nieuwe oostgrens van de westerse beschaving die het grootste deel van de Balkan in één kamp met Rusland plaatst. Het IJzeren Gordijn komt slechts tijdelijk in de plaats van de eeuwenoude breuklijn tussen West en Oost. Het nieuwe Oost-Europa blijft gereserveerd voor de regio’s die zich onder bescherming van de orthodoxe kerk of van de islam hebben ontwikkeld. Op de Balkan valt deze grens samen met de historische scheiding tussen Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse rijk. Hoewel de Klassieke Oudheid van Hellas van grote invloed was op de westerse beschaving, blijkt in zijn ogen uit de opstelling van het moderne Griekenland een culturele herschikking die dit land in de invloedssfeer brengt van het orthodoxe Rusland. Huntingtons boek heeft niet alleen in Griekenland verontwaardiging opgeroepen. Zijn criterium van het westerse christendom voor toelating van nieuwe leden tot Europese Unie en NAVO hebben ook (elders) op de Balkan geleid tot felle kritiek. De geografische afbakening van de Balkan blijft dus omstreden. De volgende impressie van de afzonderlijke ‘Balkanlan­den’ concretiseert hun ambivalente imago.

De Balkanvolkeren en Europa
Zoals andere nationaliteiten kennen ook moderne Grieken een hiërarchie van identiteiten. De meesten zullen zich eerst Griek of Griekse noemen, dan Kretenzer, Thessaliër, Epiroot etc., en dan Europeaan. Pas daarna rekent men zich tot de Balkan of tot de mediterrane wereld. Die Balkan-identiteit zal in Athene minder sterk zijn dan in Thessaloniki, de oude Macedonische havenstad met haar prestigieuze ‘Institute for Balkan Studies’. Dat Albanië tot de Balkan hoort is onomstreden; Albanezen laten zich er vaak op voorstaan dat zij het oudste volk van de Balkan zijn. Toch vatte de toenmalige president Sali Berisha in 1995 zijn programma samen met de woorden: ‘Democratie, Albanië en Europa’, terwijl men in hetzelfde jaar waarschuwt dat Kosovo een nieuw kruitvat op de Balkan wordt. Roemenië benadrukt regelmatig zijn historische rol als voorpost van de latijnse cultuur in een zee van halfgeciviliseerde slaven en turken. Het heet dan ook niet verstandig Roemenië een Balkanland te noemen, die grens ligt voor hen bij de Donau. Toch is volgens de schrijver Eugčne Ionesco het harde optreden van de IJzeren Garde in Roemenië niet toevallig, het vormt de uitdrukking van haar ‘donkere Balkanziel’. Voor Hongarije vormen juist de Karpaten de grens van de Balkan. Transsylvanië, waar hongaren eeuwen lang domineerden, en zeker Hongarije horen tegenwoordig ‘natuurlijk’ tot Centraal-Europa. Duitse publicaties rekenen Hongarije echter nog steeds tot ‘Zuidoost-Europa’. Bulgarije is het enige land dat zich ondubbelzinnig tot de Balkan rekent, ondanks frustraties over ‘het Ottomaanse juk’. Zo bezingt het volkslied de centrale bergketen als ‘Vader Balkan’. En een aardrijkskunde­boek voor het zevende schooljaar (1994) kent drie delen: Europa, het Balkanschiereiland en Bulgarije. Op het moment van Turkije’s aanvraag tot toelating tot de Europese Gemeenschap presenteert zijn eerste-minister Turgut Özal in 1988 zijn uitdagende boek ‘Turkey in Europe and Europe in Turkey’. Hierin kritiseert hij de versleten clichés van Oost-West en barbaars-geciviliseerd; ook stelt hij dat de Ottomaanse verovering van de Balkan de orthodoxe kerk aldaar behoed heeft voor de ondergang. En recenter roepen de oorlogen in Bosnië en Kosovo bij Turkse moslims niet minder sterke hartstochten op dan drie decennia geleden rond Cyprus. Naast Albanië is Joegoslavië het enige Balkanland dat een autonoom communistisch regime heeft gekend. Dit Joegoslavië van Tito ontworstelt zich aan de Oost-Westpolitiek van de Koude Oorlog en speelt een prominente rol in de beweging van niet-gebonden landen. Men keek neer op de positie van landen als Bulgarije, Hongarije en Tsjechoslowakije als vazallen van de SovjetUnie. Terwijl deze landen zich bevrijden van de communistische dictatuur, leidt de ‘balkanisering’ van Joegoslavië tot vijf nieuwe staten. Daarop volgende ‘zuiveringen’ leiden in Srebrenica tot de grootste massamoord in het Europa van na de Tweede Wereldoorlog.


vorige pagina volgende pagina