Bibliotheken Tentoonstellingen Balkan in kaart

Balkan in kaart

Tentoonstelling van 4 september tot 16 oktober 2003 in de Universiteitsbibliotheek
Samenstelling: Harrie Teunissen en John Steegh


Inleiding

Tentoonstelling

Inhoud begeleidend essay

 
Begeleidend essay 2

2.  Politieke en militaire grenzen van vijf eeuwen Balkan

A. Habsburgers versus Ottomanen

Habsburg
De geopolitieke geschiedenis van ĎBalkan in kaartí begint met de strijd tussen de Ďuniverseel monarchí keizer Karel V en de Ďschaduw van God op aardeí sultan Soleiman. De rivaliteit tussen de grote veelvolkerenrijken van de Habsburgers en de Ottomanen domineert de Balkan tot in de 19e eeuw. Maar voordat we deze verwikkelingen schetsen, herinneren we aan de opkomst van beide rijken. Het hertogdom Oostenrijk vormt slechts ťťn van de landen die de Habsburgers verwerven in het gebied van de oostelijke Alpen en de Donau. Ze worden bekend als het Oostenrijkse Huis nadat boeren hen verdrijven uit hun in het huidige Zwitserland gelegen stamslot (1386). De dynastie gaat een grote rol spelen in het Heilig Roomse Rijk der Duitse Natie. In 1273 is Rudolf van Habsburg voor het eerst door de keurvorsten gekozen tot Rooms-Koning, maar pas in 1452 wordt Frederik III door de paus tot keizer gekroond. Voortaan staan Habsburgse keizers aan het hoofd van het Rooms-Duitse Rijk tot zijn ontbinding in 1806. Hoewel deze titel aan de dynastie ook elders in Europa groot prestige verschaft, zijn hun erflanden hun machtsbasis. Deze liggen voor een deel zelfs buiten het Rooms-Duitse Rijk. Het huis vergroot zijn macht door strategische allianties, vaak via huwelijken, met name met de Bourgondische en Spaanse dynastieŽn. Door premature sterfgevallen en kinderloze huwelijken erft Karel V naast de Oostenrijkse erflanden ook de Nederlanden (behalve Gelre), Aragon met SardiniŽ en Zuid-ItaliŽ en CastiliŽ met zijn koloniŽn in de Nieuwe Wereld. In 1522 vertrouwt Karel de hertogdommen Oostenrijk, Stiermarken, KarinthiŽ, Krain en Tirol toe aan zijn broer Ferdinand, maar hij blijft keizer tot 1556. Ferdinand I vergroot zijn invloed door te trouwen met de zuster van de koning van Hongarije en Bohemen. Als zijn schoonbroer bij MohŠcs tegen de Ottomanen sneuvelt (1526), wordt Ferdinand als zijn opvolger gekozen, maar door die nederlaag heeft hij alleen feitelijk gezag over het zogeheten koninklijke Hongarije: een brede halvemaan≠vormige bufferzone, van KroatiŽ via Slowakije naar RoetheniŽ. Tegenspelers van Karel en Ferdinand op het Europese toneel zijn Frankrijk en het Ottomaanse Rijk, dat inmiddels de Balkan veroverd heeft.

Ottomanen
De nomadische strijders van de Osmanliís vestigen rond 1300 hun macht tussen het Byzantijnse en het Seldsjoekse rijk in Klein-AziŽ. Het Ottomaanse Rijk ontwikkelt zich voorspoedig aan de zuidzijde van de Zee van Marmara met Bursa als eerste hoofdstad. In 1353 steken ze de Dardanellen over. Ze spelen handig in op de strijd tussen Byzantijnen onderling, tussen Constantinopel en Servische vorsten en tussen deze laatsten en hun Macedonische vazallen. Daardoor kunnen ze in een halve eeuw het gebied veroveren tussen Constantinopel en AlbaniŽ en serven en bulgaren onderwerpen. Hadrianopolis wordt in 1365 Edirne, de tweede Ottomaanse hoofdstad. Dan stokt de expansie: Tamerlan valt in 1402 AnatoliŽ binnen, Ottomaanse prinsen voeren onderling strijd, er is albanees verzet onder Skanderbeg en Hongaars verzet onder Hunyadi. Maar met de komst van Mehmet II de Veroveraar keert het tij. De Ottomanen nemen in 1453 Constantinopel in, als Istanboel hun definitieve hoofdstad. Daarna onderwerpen ze Zuid-Griekenland, annexeren BosniŽ, interveniŽren in Walachije en MoldaviŽ: sedertdien Ottomaanse vazalstaten. VenetiŽ verliest het Griekse eiland Euboea, de Genuezen worden verjaagd van de Krim en het Kanaat van de Tataren komt onder Ottomaanse suzereiniteit. Sultan Soleiman I verslaat als gezegd in 1526 de Hongaren bij MohŠcs. Hij belegert Wenen (1529), tevergeefs. Na dit (eerste) beleg volgt een wapenstilstand, waarna Hongarije in drieŽn wordt gedeeld. Ottomaans Hongarije bestrijkt nu bijna heel het huidige Hongarije met Oost-SlavoniŽ en de Banaat in het zuiden en Zuid-Slowakije in het noorden. Ten slotte is er in het oosten nog het min of meer autonome Hongaarse prinsdom TranssylvaniŽ, onder Ottomaanse suzereiniteit. Dit is het einde van de Ottomaanse expansie in Centraal- Europa. De sultan annexeert nog wel het kustgebied van MoldaviŽ. De Ottomanen domineren nu de Zwarte Zee. Al vroeg in de 16e eeuw hebben Ottomaanse legers ook SyriŽ, Palestina, Egypte en MesopotamiŽ veroverd. De heerschappij van Soleiman de Prachtlievende (1520-1566) vormt het hoogtepunt van het Ottomaanse Rijk. Aan de vijandigheden tussen Ottomanen en Habsburgers komt pas na zijn dood met het Verdrag van Edirne (1568) een eind. De vrede houdt tot 1593.

Strijd om de hegemonie
Inmiddels is Rudolf II (1576-1612) aangetreden. Zijn programma is simpel: interne vrede als voorwaarde om Hongarije te veroveren en zo het Habsburgse Huis weer glans te geven. Aan zijn hof in Praag spreekt men over een Ďnieuwe kruistochtí en de keizer neemt contact op met de sjah van PerziŽ, vijand van de Ottomanen, opdat die hen vanuit het oosten aanvalt. Ondertussen dringt de Franse koning bij de sultan aan op actie tegen de Habsburgers. Een incident op de Kroatisch-Bosnische grens (zie nr. 14) is aanleiding voor de Dertienjarige Oorlog (1593-1606). De prins van TranssylvaniŽ en de vorsten van Walachije en MoldaviŽ weigeren aan de Ottomaanse campagne deel te nemen, kiezen zelfs de Habsburgse kant. Ook de serviŽrs denken van deze situatie te kunnen profiteren en komen in opstand tegen de Porte. Zo breidt de oorlog zich uit. Het reguliere christelijke leger is aangevuld met duizenden vrijwilligers die afkomen op kruistocht en buit. Ook het Ottomaanse leger omvat naast janitsaren, cavalerie en lokale garnizoenen veel vrijwilligers vanwege djihad en buit. Na tien jaar oorlog is de balans voor beide kampen mager. De Ottomanen hebben Walachije, MoldaviŽ en ServiŽ weer onder controle; in SlavoniŽ en Hongarije zijn nog enkele forten in hun handen. De Habsburgers hebben het grootste deel van Hongarije en TranssylvaniŽ in hun macht. De aanvankelijk enthousiaste hongaarse adel raakt echter verbitterd omdat keizerlijke troepen optreden als wereldlijke arm van de Contrareformatie, dit terwijl lutheranen en calvinisten in de steden en onder grootgrondbezitters in de meerderheid zijn. De Hongaarse Rijksdag breekt daarom in 1604 met de Habsburgers, en IstvŠn Bocskay weet de keizerlijken uit TranssylvaniŽ te verdrijven. In 1605 wordt deze gereformeerde hongaar de nieuwe vorst van dit gebied met een relatieve meerderheid van orthodoxe roemeense lijfeigenen en een minderheid van lutherse saksen. Hij staat onder de suzereiniteit van de islamitische sultan. De adel in het Habsburgse deel van Hongarije keert na concessies inzake autonomie en godsdienstvrijheid terug in het keizerlijke kamp. De oorlog heeft de geopolitieke verhoudingen op de Balkan nauwelijks veranderd. Wel hebben grote verliezen beide rijken uitgeput. Vandaar dat bij het vredesverdrag van Szitvatorok in 1606 de sultan voor het eerst met de keizer op voet van gelijkheid onderhandelt.

Middellandse Zee
Het oostelijk deel van de Middellandse Zee vormt in de 16e en 17e eeuw het toneel voor de machtsstrijd tussen het Ottomaanse Rijk en de republiek VenetiŽ (zie nr. 10). VenetiŽ poogt handelsrelaties met de OriŽnt in stand te houden door systematisch rijkdom, diplomatie en zeemacht in te zetten. Van de lagunestad zelf, via de Dalmatische kust, de Ionische eilanden, Kreta en Cyprus tot de Levant heerst het over een reeks pleisterplaatsen voor zijn galeien. Sultan Selim II zint echter ook hier op hegemonie en verovert met de Ottomaanse vloot in 1570-1571 Cyprus. Als reactie hierop ontstaat een Heilige Liga tussen doge, paus en Spaanse koning. De vloot staat onder leiding van Don Juan van Oostenrijk. Oktober 1571 weet deze Liga de Ottomanen in de beroemde zeeslag bij Lepanto te verslaan (zie ook nr. 13). Het militaire effect van die grote nederlaag blijft beperkt, de Ottomaanse vloot wordt snel herbouwd. De ideologische betekenis van deze christelijke overwinning na eeuwen van terugtocht voor een triomferend islamitisch rijk is wel groot. In de historische mythe van Europa krijgt ĎLepantoí het karakter van een keerpunt vergelijkbaar met ĎPoitiersí (732). VenetiŽ knoopt overigens spoedig nieuwe lucratieve betrekkingen aan met de Porte. En de Ottomaanse expansie stokt meer door decadentie en corruptie die vanaf het hof in Istanboel naar buiten uitzaait.

Tegen 1640 lopen de handelsbetrekkingen opnieuw spaak, vooral doordat piraterij om buit en slaven over en weer uit de hand loopt. Zeerovers van Algiers maken voor de Ottomanen het westelijke deel van de Middellandse Zee onveilig en VenetiŽ knijpt een oogje dicht voor de rovers van Malta. In 1644 kaapt een eskader uit Malta enkele rijk beladen Ottomaanse schepen en brengt die naar het Venetiaanse Kreta. De weigering van de autoriteiten om de grote buit terug te geven vormt een casus belli. In 1645 zeilt een vloot naar Kreta, en de Ottomanen veroveren bijna het hele eiland. De Grieks-orthodoxe meerderheid geniet onder de Ottomanen een grotere autonomie dan voorheen. Omdat VenetiŽ vanuit zee Candia (Iraklio) weet te bevoorraden, kan dit machtige fort pas in 1669 ingenomen worden. Het verlies van deze laatste militaire en commerciŽle voorpost op de route naar de OriŽnt is een zware slag. Het mislukken van het tweede Ottomaanse beleg van Wenen (1683) biedt de republiek echter de gelegenheid bruggenhoofden op de Peloponnesos te veroveren. De volgende decennia probeert zij haar historische positie in dit deel van Griekenland opnieuw op te bouwen.

De mislukking van het tweede beleg van Wenen en haar gevolgen
Nadat kundige grootviziers uit de KŲprŁlŁ-familie het gezag van het Ottomaanse Rijk hebben hersteld, volgt de tweede aanval op Wenen. De paus brengt een Heilige Alliantie tussen Oostenrijk, Polen, VenetiŽ en Rusland tot stand. Het beleg mislukt (zie nr. 16), vooral doordat een leger onder aanvoering van de Poolse koning Jan Sobieski de keizerlijken te hulp komt. De sultan staat nu tegenover de Habsburgse keizer in Hongarije, BosniŽ en ServiŽ, de Poolse koning in OekraÔne, VenetiŽ op de Dalmatische kust en de Peloponnesos en tsaar Peter de Grote bij de Krim. Het belangrijkste front is dat in Hongarije en op de Balkan. Pest en Noord-Hongarije worden in 1684 veroverd. Boeda, Ďschild van de islamí, valt in 1686, de Hongaarse vlakte een jaar later, in 1688 valt Belgrado. In Walachije onderhandelen de keizerlijken met de bojaren over de voorwaarden waaronder die zich willen onderwerpen aan de suzereiniteit van de keizer. Habsburgse legers dringen ook BosniŽ binnen en trekken de vallei van de Morava in tot Niö. Zij beloven serven, albanezen, macedoniŽrs en bulgaren de politieke en religieuze vrijheden die ze vroeger genoten zouden hebben onder de Hongaarse kroon. Er breekt inderdaad een grote opstand van de servische bevolking uit, onder leiding van de orthodoxe patriarch van Peć, waarbij moslims worden afgeslacht en waardoor de keizerlijken Vidin, Skopje en Prizren kunnen bezetten. Zomer 1690 gaat de Porte tot de tegenaanval over en herovert Niö en Belgrado. Uit angst voor represailles volgen duizenden christelijke families de Habsburgse troepen op hun terugtocht; zo ontstaat een servisch centrum in Zuid-Hongarije. De pogingen van sultan Mustafa II om het gebied benoorden de Donau te heroveren falen. In een tegenaanval wordt bij verrassing Sarajevo veroverd. Nu pas is de tijd rijp voor onderhandelingen. Bij het verdrag van Karlowitz (1699) erkent de sultan de heerschappij van de Habsburgers over Hongarije en KroatiŽ en hun suzereiniteit over TranssylvaniŽ. De Banaat ten noorden van de Donau blijft deel van het Ottomaanse Rijk, en de sultan houdt suzereiniteit over Walachije en MoldaviŽ (zie nr. 17). Wel moet hij voortaan aan katholieken godsdienstvrijheid en aan Oostenrijkse kooplui handelsvrijheid toestaan. Zo kan Wenen ook binnen het Ottomaanse Rijk een rol van betekenis gaan spelen.

Consolidatie van de grens
De vrede duurt 16 jaar, tot Istanboel de Peloponnesos herovert. Onvrede van orthodoxen over de katholieke bemoeienis en Venetiaanse belastingdruk maken het de Ottomanen makkelijk. Wenen verhindert echter een verdere neergang van VenetiŽ. Augustus 1715 lijden de Ottomanen een grote nederlaag en ze verliezen Timişoara en Belgrado. Bij het Verdrag van Passarowitz (1718) houdt Oostenrijk de veroverde gebieden. Wenen krijgt bovendien het recht om consuls aan te stellen binnen het rijk van de sultan. De Habsburgers lijken nu de Balkan te domineren, maar in feite gaat het hier om een tijdelijk bestand. In 1737 neemt Wenen opnieuw de wapens op, meegesleept door grootse plannen van Rusland. Servische boeren steunen de keizerlijken om Niö in te nemen en Montenegro helpt ze om een groot deel van BosniŽ te veroveren (zie nr. 18). Maar de Ottomanen slaan terug en heroveren Belgrado, waar in 1739 vrede wordt gesloten. De Habsburgers moeten recent veroverde gebieden weer verlaten. De grens van de ĎDar al-Islamí ligt de komende eeuw bij de Sava en de Donau. Om haar grens met het Ottomaanse rijk te verdedigen creŽert de Oostenrijkse kroon in de 18e eeuw het instituut van de ĎMilitšrgrenzeí. In die grenszone krijgen kolonisten eigen grond en vee; daarvoor moeten ze ťťn op elke drie weken militaire dienst vervullen. Terwijl boeren elders nog in horigheid leven, genieten deze kolonisten-soldaten een bevoorrechte status. Zo blijven ze loyaal aan Wenen. In de 18e en 19e eeuw bestaan de ĎGrenzerí van SlavoniŽ (1702-1878), KroatiŽ (1737-1878) en de Banaat (1742-1872) voornamelijk uit serven en kroaten, weggetrokken uit het Ottomaanse Rijk. Aan de Karpatengrens van TranssylvaniŽ (1764-1851) liggen hongaarstalige troepen en vooral roemeense kolonisten, die voor het eerst politieke rechten genieten.

Rusland
Tsaar Peter de Grote verovert in 1696 de havenstad Azov, eerste basis van de Russische vloot aan de Zwarte Zee. In 1711 roept hij, gesteund door de prinsen van MoldaviŽ en Walachije, op tot een opstand van orthodoxe christenen op de Balkan. Maar als zijn leger optrekt naar de Donau, vlucht de roemeense bevolking de bergen in. De Ottomaanse tegenaanval drijft hem terug en dwingt tot onderhandelen. De Russen moeten Azov weer opgeven en hun forten aan de benedenloop van de Dnjepr ontmantelen; ze zijn terug bij af. Deze eerste Russische veldtocht naar het zuiden heeft twee consequenties voor de Balkan. In MoldaviŽ en Walachije worden de onbetrouwbaar gebleken prinsen vervangen door nieuwe vazallen, gerekruteerd uit de griekse of vergriekste elite en genoemd naar de christelijke Phanarwijk van de Ottomaanse hoofdstad. Zo begint de periode waarin rijke kooplieden en aristocraten zich inkopen als vorsten: de phanarioten (1711- 1821). Aan de andere kant van de Balkan, in het bergachtige Montenegro, waar de Ottomaanse verovering nooit voltooid is en de oproep tot opstand wel gehoor vindt, verwerft tsaar Peter met subsidies de positie van garant. Voortaan fungeert dit staatje in wezen als een Russisch protectoraat, ofschoon het tribuut aan Istanboel blijft betalen. In 1736 verklaart Sint-Petersburg, na een geheim akkoord met Wenen, de Porte opnieuw de oorlog. Het Russische leger trekt de Krim binnen, verovert Iaşi in MoldaviŽ en staat op het punt Walachije binnen te vallen als het bericht krijgt van het Verdrag van Belgrado (zie hiervoor). De sultan weet nu de opmars naar het zuiden te stoppen en mede dankzij diplomatieke druk van Frankrijk trekken de Russen zich eind 1739 opnieuw terug uit de veroverde gebieden.

Dertig jaar later stuurt Catharina de Grote aan op nieuwe campagnes tegen de zwakke sultans. Russische troepen bezetten Iaşi en Boekarest en verslaan de Ottomanen in de Dobroedsja. De tsarina stuurt haar vloot uit de Oostzee naar de Middellandse Zee. Deze maakt een opstand op de Peloponnesos mogelijk en doet een Ottomaanse vloot bij Izmir verloren gaan. Toch veranderen de machtsverhoudingen niet. Catharina slaagt er in 1771 in de Krim onder haar suzereiniteit te brengen en het Verdrag van KŁtchŁk-Kainardie (1774) legitimeert de bezetting van enkele havens, maar MoldaviŽ en Walachije moet zij weer ontruimen. Zij mag wel een orthodoxe kerk in Istanboel bouwen, symbool van de Russische protectie over de orthodoxe christenen in het Ottomaanse Rijk. Rusland verwerft ook handelsprivileges, consulaten en een forse vergoeding voor oorlogsschade. Omdat Oostenrijk zich afzijdig heeft gehouden van deze oorlog, verzet Istanboel zich niet tegen de annexatie van de Boekovina door de keizer. Catharina blijft echter ontevreden, zij wil de heerschappij over de hele noordkust van de Zwarte Zee; de Russen bezetten in 1778 opnieuw de Krim. Nu de route naar Constantinopel open lijkt te liggen, ontwikkelt de tsarina een groots plan om samen met de Habsburgse keizer Ďde Turkení uit Europa te verdrijven. De Ottomaanse sultan wordt steeds meer gezien als Ďde zieke man van Europaí. De kern van de bevrijde gebieden zou gevormd moeten worden door een nieuw Grieks-orthodox rijk met Constantinopel als hoofdstad. Haar tweede kleinzoon, Constantijn, zou daar soeverein worden over ThraciŽ, MacedoniŽ, Noord-Griekenland en Bulgarije. De Habsburgers zouden het grootste deel van de westelijke Balkan moeten bevrijden; OlteniŽ, ServiŽ, Epirus, BosniŽ-Herzegovina en de Dalmatische kust. VenetiŽ kan schadeloos gesteld met de Peloponnesos, Kreta en Cyprus. MoldaviŽ en Walachije moeten als DaciŽ verenigd een bufferstaat vormen tussen Oostenrijk en Rusland. De oorlog ter realisatie van dit Ďgriekse planí begint in 1787: Russische troepen lopen Ottomaanse grensforten onder de voet (zie nr. 19) en keizerlijken nemen Belgrado, Niö en Boekarest in. Hoewel Engeland en Pruisen zich verzetten tegen de verdeling van Europees Turkije, noopt vooral de Franse Revolutie tot een strategische wending. Keizer Leopold sluit augustus 1791 vrede met de Porte op basis van de oude territoriale toestand, een half jaar later moet ook Catharina de vrede tekenen. De Ottomanen erkennen haar gezag over OekraÔne. Voortaan vormt de Dnjestr de grens van Rusland met het Ottomaanse Rijk.

Napoleontische tijd
Napoleons nieuwe strategie: mobilisatie van een nationaal leger, snelle militaire operaties en zelfverzorgende troepen, dwingt ook zijn tegenstanders tot militaire hervormingen. De oorlog in Europa veegt in 1797 de Republiek VenetiŽ van de kaart en luidt in 1806 het Heilig Roomse Rijk uit. Voor de Balkan is vooral van belang dat IstriŽ, DalmatiŽ, Ragusa (Dubrovnik), Hoog-KarinthiŽ, Krain (West-SloveniŽ), TriŽst en KroatiŽ ten zuiden van de Sava in 1809 deel worden van het Franse Keizerrijk. In deze Illyrische Provincies wordt in het noorden duits en aan de kust italiaans gesproken, maar voor het eerst zijn de slaven in de meerderheid. Zij worden welwillend bejegend door het moderne bestuur in Ljubljana. Na Napoleon annexeert Oostenrijk deze gebieden, maar het Franse intermezzo vormt later in de 19e eeuw een vertrekpunt voor het Ďillyrismeí, een beweging van slovenen en kroaten die de eenheid van de zuid-slaven voorstaat. In 1806 laait ook de strijd weer op tussen de Russen en de Ottomanen. Dit leidt 1812 tot de annexatie van BessarabiŽ (MoldaviŽ tussen de Dnjestr en de Proeth).

In Europees Turkije ontstaan eind 18e eeuw rond Vidin, Scutari en IoŠnnina een soort feodale staten binnen het Ottomaanse Rijk waar de autoriteit van de sultan een formaliteit is. De bekendste figuur is de albanese despoot Ali Tepelena, tussen 1788 en 1822 pasja van IoŠnnina, het commerciŽle en culturele centrum van Epirus. Handig laverend in de machtsstrijd tussen Napoleon en de Ottomanen weet hij Zuid-AlbaniŽ en ThessaliŽ te beheersen. Door wegen, waterwerken en vestingen aan te leggen versterken Ali en zijn zonen hun heerschappij over deze albanees-griekse en christelijk-islamitische gebieden. Na het Congres van Wenen (1815) kan Mahmud II proberen de controle van het centrum over de pasjaís te herstellen. Nadat hij AnatoliŽ in het gareel heeft gebracht is de Balkan aan de beurt. In 1821 stuurt de sultan een leger naar Epirus. Twee jaar later valt IoŠnnina en is Ali Pasja dood. Toch keert de rust niet weer op de Balkan: in datzelfde 1821 breekt de Griekse revolutie uit en in ServiŽ woedt weer strijd voor autono≠mie.

B. Opkomst van de natiestaten

ServiŽ
De eerste Servische opstand, in 1804 begonnen, weet Belgrado te veroveren. Ene Karageorge roept zich daar uit tot erfelijk vorst (1808). In 1812 erkent de sultan ServiŽís autonomie, maar het jaar daarna wordt Belgrado bloedig heroverd. In 1815 begint een nieuwe opstand geleid door Miloö Obrenović. Onder Russische druk accepteren de Ottomanen dat ServiŽ een vazalstaat wordt met eigen leger en landdag, maar ook een Turkse gouverneur en zeven garnizoenen. Na een interventie van het Russische leger wordt in 1829 het Servische grondgebied naar het zuiden vergroot en Miloö door de sultan als erfvorst erkend. Het culturele centrum ligt echter in ĎHongaars ServiŽí en servische en kroatische schrijvers komen ťťn literaire taal overeen in cyrillisch ťn latijns schrift. Miloö wordt vanwege zijn despotisch optreden door constitutionalisten bekritiseerd en moet in 1839 aftreden. Hij wordt opgevolgd door de zoon van Karageorge; in de 19e eeuw betwisten de twee dynastieŽn elkaar vaak de macht. In de landdag staan Ďconservatievení en Ďliberalení tegenover elkaar. Tijdens de revolutie van 1848, als de Hongaarse opstand tegen Wenen ook tegenover een servo-kroatische volksbeweging komt te staan, neemt ServiŽ een onpopulaire neutraliteit in acht. Hetzelfde gebeurt tijdens de Krimoorlog van 1853-1856, als de Russen MoldaviŽ en Walachije binnenvallen, terwijl de sultan steun krijgt van Britten en Fransen. De Servische leiders willen voorkomen dat het nog kleine land door Oostenrijk of Rusland opgeslokt wordt. Op de Balkan zelf lijkt de ineenstorting van het Ottomaanse Rijk een kwestie van tijd. Vandaar dat minister Ilija Garaöanin zijn Ďprojectí voor ServiŽ als kern van een Zuid-Slavisch rijk concentreert op Europees Turkije. Hij werkt samen met Montenegro en steunt vooral zuid-slaven in BosniŽ, Herzegovina, de streek tussen ServiŽ en Montenegro, MacedoniŽ en Zuidwest-Bulgarije in hun strijd tegen het Ottomaanse juk. Deze gespannen situatie tussen vazalstaat en suzerein balanceert op de rand van oorlog. Europese grootmachten moeten herhaaldelijk tussenbeide komen. Het resultaat is dat in 1862 de Ďturkseí bevolking (ook moslims van andere herkomst en taal worden zo genoemd) de steden, en iets later de Ottomaanse garnizoenen ServiŽ verlaten. Wel gaat prins Michael van ServiŽ naar Istanboel om eer te bewijzen aan zijn sultan. ServiŽ slaat voortaan zijn eigen munten, tekent eigenmachtig verdragen en vergroot zijn propaganda-inspanningen. De Ottomaanse vlag naast die van ServiŽ op de citadel van Belgrado en het jaarlijkse tribuut aan de Porte zijn de symbolische resten van Ottomaanse suzereiniteit. In 1875 breekt in Herzegovina een door ServiŽrs en Montenegrijnen gesteunde boerenopstand uit, die naar BosniŽ overslaat. Het is het startsein voor een internationale crisis die pas met het Verdrag van Berlijn (1878) een einde neemt. Bij dat verdrag neemt de Dubbelmonarchie het bestuur van BosniŽ-Herzegovina over en mag een garnizoen legeren in de corridor van Novi Pazar, tussen ServiŽ en Montenegro. Deze versterking van de Oostenrijks-Hongaarse macht maakt voorlopig een einde aan de mogelijkheid van een Servisch-Kroatische unie, en de Servische expansie wordt voortaan in plaats van naar de Adriatische Zee in zuidelijke richting geleid. In een geheim verdrag van 1881 tussen Wenen en Belgrado wordt nadrukkelijk bepaald dat Oostenrijk- Hongarije een eventuele Servische expansie naar de vallei van de Vardar zal steunen.

Griekse opstand
Het doel van de Philiki Etairia is Griekse onafhankelijkheid. Het is een in 1814 door kooplieden in Odessa opgericht geheim genootschap, naar het voorbeeld van de vrijmetselarij. Uit heel de griekse wereld worden leden gerecruteerd voor de
gewapende Ďbevrijding van het moederlandí. Het ideaal is een nieuw Byzantijns rijk, maar met republikeinse instituties in plaats van de vroegere autocratie. Bron van inspiratie zijn de liederen en projecten van Rigas Velestinlis (zie nr. 20), die ideeŽn van de Franse Revolutie op de Balkan verbreidt tot zijn executie in 1798. De phanarioot Ypsilantis, adjudant van tsaar Alexander, geeft in maart 1821 het signaal tot de opstand door met een legertje vanuit Rusland MoldaviŽ binnen te vallen. De lokale bevolking identificeert de invallers echter met het onderdrukkende regime van hun phanarioten-vorsten, vazallen van de sultan, en steunt de strijd niet. Hooggestemde verwachtingen om ook servisch en bulgaars sprekende orthodoxen voor de zaak te winnen stranden op groeiende irritatie over de griekse kerkelijke en culturele hegemonie. Ofschoon de hoofdmacht van de Ottomaanse troepen in Epirus tegen Ali Pasja vecht, worden Ypsilantisí ongeoefende troepen, waaronder een brigade van achthonderd studenten, in juni in een mum van tijd door ervaren janitsaren in de pan gehakt. Door het nieuws van deze even heldhaftige als dwaze onderneming en geruchten over Russische steun daarvoor slaat in de Peloponnesos de vlam in de pan: de opstand der Grieken. Na moordpartijen over en weer moeten de Ottomanen zich terugtrekken op de kuststeden. De guerrillatactieken van de klefts (tegelijk rovers en rebellen) en de behendigheid van hun zeevaarders blijken doorslaggevend voor Grieks succes. De oecumenische patriarch van Constantinopel, binnen het Ottomaanse Rijk verantwoordelijk voor het ge≠drag van de orthodoxe christenen ten opzichte van de sultan, wordt paaszondag 1821 opgehangen. Nieuws van de opstand roept enthousiaste reacties op bij een deel van de publieke opinie in West-Europa. Comitťs zamelen geld in voor vrijheidsstrijders en slachtoffers, vooral na berichten over de massaslachting van christenen op Chios (april 1822). Vrijwilligers trekken naar het strijdgebied; de bekendste is wel de dichter Lord Byron. Sommigen van hen raken gedesillusioneerd als ze ontdekken dat deze Grieken weinig gemeen hebben met de nobele figuren uit het klassieke Athene van Pericles.

De eerste successen van de Griekse opstand leiden in 1823 tot een voorlopige regering en een liberale grondwet. Vetes ontaarden echter snel in burgeroorlog. Vroegere kleft-leiders domineren de Ďdemocratischeí partij van boeren en vissers, de Ďaristocratischeí partij vecht voor notabelen en scheepseigenaren. Dwars daarop staat de kloof tussen Europees geklede nationalisten die Ďmoderneí instellingen willen importeren, en Ďchristelijke turkení die hun dracht uit de Ottomaanse tijd en Grieks-orthodoxe tradities koesteren. Terwijl de opstandelingen onderling ruziŽn verslechtert de militaire situatie dramatisch. Sultan Mahmud II vindt in zijn nominale vazal Mehmet Ali, heerser van Egypte, een machtige medestander om de Griekse rebellie neer te slaan. Tegen de belofte van een groot deel van de buit stuurt die zijn zoon Ibrahim Pasja met een vloot naar Kreta, waar hardhandig de orde wordt hersteld. Als hij in 1825 ook de Peloponnesos keihard aanpakt wenden de wanhopige Grieken zich tot de grootmachten. De filhelleense beweging weet de aarzelingen van Europese conservatieve regeringen te overwinnen en eind 1827 vindt bij Navarino de laatste grote zeeslag van zeilschepen plaats. De Brits-Russisch-Franse vloot vernietigt daar de Turks-Egyptische. De Ottomaanse positie raakt verder verzwakt als in 1828 opnieuw oorlog met Rusland uitbreekt, Ottomaanse troepen moeten nieuwe tegenslagen incasseren. De interventie van de grootmachten maakt een onafhankelijk Griekenland onvermijdelijk, maar met welke staatsvorm en binnen welke grenzen? Twee rivaliserende nationale vergaderingen zijn intussen overeengekomen om Kapodistrias te benoemen tot eerste president van Griekenland. Als oudminister van de tsaar heeft hij echter weinig op met de liberaal getinte grondwet. Hij acht de Grieken nog niet in staat tot zelfbestuur. Ook zijn opstelling ten gunste van de boeren bij de verdeling van het door turken verlaten land stuit op grote weerstand bij inheemse leiders van de opstand. Hoewel zijn autoritaire regime tijdelijk de orde herstelt, komt de anarchie weer boven als hij in 1831 in de hoofdstad Nauplion wordt vermoord.

Inmiddels hebben de grootmachten beslist dat Griekenland een monarchie moet worden. In 1832 valt hun keuze op de zeventienjarige tweede zoon van de koning van Beieren, die een jaar later wordt ingehaald als koning Otto I. Griekenland bestaat dan uit de Peloponnesos, het vasteland tot de lijn van Arta in het westen naar Volos in het oosten en enkele eilanden in de buurt. Nieuwe hoofdstad is Athene, een slaperig dorp, gedomineerd door de ruÔnes van het Parthenon. Deze keuze symboliseert de culturele oriŽntatie van de nieuwe staat op het grootse klassieke verleden. De regering staat voor de opgave een staat op poten te zetten en een gemeenschappelijke Griekse identiteit te vormen die de traditionele loyaliteiten van familie, geboortedorp en regio overstijgt. De bevolking omvat nog niet ťťnderde van de griekstaligen, en grote griekse commerciŽle centra in Smyrna, Saloniki en Constantinopel, liggen nog in het Ottomaanse Rijk. Deze spanning tussen Ďautochthonsí en Ďheterochtonsí ligt ten grondslag aan het messianistische project van de griekse hereniging. De ĎMegali Ideaí, de droom dat Griekenland twee werelddelen, vijf zeeŽn en twee hoofdsteden (Athene en Constantinopel) kent, wordt de dominante ideologie van de nieuwe staat. Aandacht voor de bevrijding van de Ottomaanse grieken maakt echter de beperkte politieke vrijheid in eigen huis pijnlijk duidelijk. Als het succes van de Italiaanse eenheidsstrijd jonge Grieken ertoe aanzet dit voorbeeld te volgen, trapt de koning op de rem. Zijn prestige was al ondermijnd door zijn katholicisme en het ontbreken van een troonopvolger. Bovendien wordt hij omringd door politici die zich vooral om hun cliŽntŤle bekommeren. Een soldatenopstand, de roep om een nieuwe grondwet en het wegvallen van de steun van de grootmachten dwingen Otto Griekenland in 1862 te verlaten. Hij wordt opgevolgd door George van Denemarken, de kandidaat van Engeland, dat in 1864 de Ionische eilanden aan Griekenland afstaat. Kort daarop beheerst de kwestie-Kreta de Griekse agenda. Daar breekt in 1866 een opstand uit en wordt de eenheid van het eiland met Griekenland geproclameerd. Vrijwilligers schieten Kreta te hulp, maar de grootmachten verhinderen dat Griekenland de opstand steunt. Ottomaanse troepen kunnen de rebellie bloedig onderdrukken; wel moet de sultan onder druk van de grootmachten hervormingen op het eiland doorvoeren.

Oostenrijk-Hongarije
Ook het Habsburgse Rijk, waar duitstaligen sinds de 18e eeuw in de minderheid zijn, kraakt in zijn voegen door Ďhet ontwaken van de nationaliteitení. De burgerlijke revolutie van 1848 die in de meeste grote Europese staten woedt, zet ook het autocratische karakter van het Oostenrijkse keizerrijk en daarmee de cohesie van deze veelvolkerenstaat op losse schroeven. De Hongaarse opstand tegen Wenen kan alleen met hulp van Russische troepen worden onderdrukt. Door de Italiaanse eenwording verliest de keizer Lombardije en VenetiŽ, en na de nederlaag tegen de Pruisen (1866) wordt Oostenrijk buiten de Duitse eenwording gehouden. Het jaar daarop krijgt Hongarije met de Dubbelmonarchie grote autonomie. Dit Ďcompromisí gaat ten koste van de positie van de kroaten en van de roemenen in TranssylvaniŽ. IstriŽ en DalmatiŽ vallen onder het Oostenrijkse keizerrijk, de rest van het huidige KroatiŽ onder het koninkrijk Hongarije. De kroaten in dit koninkrijk houden een eigen landdag en zijn autonoom op het gebied van onderwijs, godsdienst en rechtspraak. Voor buitenlandse politiek, leger en financiŽn zijn ze afhankelijk van het Hongaarse parlement. De eerste jaren lijken veelbelovend, zo sticht gouverneur Ivan Maěuranić, een groot kroatisch dichter, in 1874 de universiteit van Zagreb. Maar als de dubbelmonarchie in 1878 overgaat tot de bezetting van BosniŽ-Herzegovina worden voorrechten van de kroatische ĎGrenzerí opgeheven en wordt een politiek van magyarisering gevoerd. Dit drijft de kroaten naar de idee van eenheid der zuidslaven. Belangrijk pleitbezorger daarvan is bisschop Josip ätrosmajer, voorstander van een verzoening tussen katholieken en orthodoxen.

TranssylvaniŽ
De verhoudingen in TranssylvaniŽ (Erdťly in het hongaars, SiebenbŁrgen in het duits en Ardeal in het roemeens) blijven ook na opname in het Habsburgse Rijk (1699) problematisch. Onder de nieuwe gouverneur blijft de landdag een belangrijke politieke rol spelen. Hierin zijn drie Ďnatiesí vertegenwoordigd: hongaren die zich hier in de 10e eeuw vestigden en wier adel de regio domineert, zogenaamde ĎSaksení, in feite kolonisten uit het Duitse Rijnland en uit Brabant die in de 13e eeuw naar de bovenloop van de Olt trokken, en hongaars sprekende ĎSzeklersí van duistere herkomst; mogelijk zijn het gemagyariseerde Khazaren, door Hongaarse vorsten belast met de verdediging van de Karpatengrens. Zeker vanaf de 18e eeuw zijn roemeense walachen relatief de grootste bevolkingsgroep, maar als horige boeren en lijfeigenen zijn ze in de landdag niet vertegenwoordigd. Of deze verre nazaten van geromaniseerde stammen uit DaciŽ in de vroege Middeleeuwen ook in TranssylvaniŽ woonden, blijft heftig omstreden tussen Hongaarse en Roemeense nationalisten, te meer daar documenten ontbreken en archeologische vondsten meerduidig zijn. TranssylvaniŽ kent na 1699 vier Ďreligiones acceptaeí: katholieken, lutheranen, calvinisten en unitariŽrs (arianen). Het orthodoxe christendom van de roemenen wordt gedoogd als Ďreligio tolerataí. Statusverbetering voor roemenen lijkt aanvankelijk slechts mogelijk door over te gaan naar de GeŁnieerde Kerk. Deze erkent de suprematie van de paus, maar behoudt haar liturgische en kerkelijke tradities, zoals gehuwde popes. Het opleidingsniveau van de geestelijkheid neemt wel enorm toe, waarmee tevens de grondslag is gelegd voor een nieuw roemeens zelfbewustzijn. In 1769 krijgt de Grieks-orthodoxe Kerk eindelijk een legale status, diverse geŁnieerden keren nu terug. De Katholieke Kerk blijft echter bevoorrecht. Een grote boerenopstand tegen grootgrondbezit (1783), in bloed gesmoord, is wel aanleiding voor afschaffing van lijfeigenschap, maar niet van onbetaalde herendiensten.

Tegen 1800 wint onder roemeens sprekenden in TranssylvaniŽ het inzicht veld dat men een aparte natie vormt met een eigen geschiedenis die teruggaat tot de DaciŽrs in het Romeinse Rijk. De eigen taal moet, ondanks de vele slavische leenwoorden, niet meer met cyrillische maar met latijnse letters geschreven worden. Pogingen om in de landdag als vierde natie erkend te worden lopen spaak op hardnekkig verzet van de Hongaarse adel. In 1791 verschijnt het ĎSupplex Libellus Valachorumí. Hierin verzoeken Ďde deemoedige en steeds getrouwe onderdanen van de natie der Walachen in TranssylvaniŽí hun keizer om het onrecht ongedaan te maken dat de oudste natie van TranssylvaniŽ niet meetelt. De landdag weigert hieraan mee te werken. Dit politieke steekspel herhaalt zich in 1804 en 1834. Veel roemenen zien in het revolutiejaar 1848 een kans om hun eisen kracht bij te zetten. Zij raken daarbij op gespannen voet met het programma van de Hongaarse opstand, die een vereniging van TranssylvaniŽ met Hongarije voorstaat. Vandaar dat tijdens de burgeroorlog deze roemenen aan de kant van Oostenrijkers (en Russen) vechten bij de onderdrukking van die opstand. TranssylvaniŽ valt daarna weer rechtstreeks onder Wenen, beloning voor de steun blijft evenwel uit. Met de afschaffing van herendiensten wordt 1854 een begin gemaakt en de GeŁnieerde en later ook de Orthodoxe Kerk krijgen eigen metropolieten in TranssylvaniŽ. Pas in 1863 vindt de roemeense natie erkenning in de landdag. Veel gevolgen heeft dit echter niet meer, want het Oostenrijks-Hongaarse compromis van 1867 maakt een einde aan de autonomie en deelt TranssylvaniŽ in bij het koninkrijk Hongarije. De regering in Boedapest heft de categorie Ďnatiesí op en voert na 1875 een politiek van magyarisering. Een nationalistische Roemeense partij, in 1881 opgericht, verzet zich hiertegen, maar wordt drie jaar later verboden. Zij kan haar activiteiten pas in 1905 hervatten.

RoemeniŽ
Als gezegd poogt Ypsilantis in 1821 vanuit MoldaviŽ de orthodoxen van de Balkan aan te zetten tot een revolte tegen de Porte. Tegelijkertijd begint Tudor Vladimirescu vanuit het westen van Walachije zijn nationale en sociale boerenopstand tegen de phanariotenvorst in Boekarest. De Ottomaanse troepen herstellen snel de orde, maar met het phanarioten≠regime is het afgelopen. Rusland en de Porte vervangen het in 1826 door een condominium waarbij gekozen autochtone vorsten goedkeuring behoeven van sultan en tsaar. Na de oorlog tussen Russen en Ottomanen van 1828-1829 geldt de verkiezing van de vorsten voor het leven. Ook de grondwetten van Walachije en MoldaviŽ moeten nu door Sint-Petersburg en Istanboel goedgekeurd zijn voordat ze aan het standenparlement (waar adellijke groot≠grondbezitters domineren) worden voorgelegd. Beide landen blijven echter door Russische troepen bezet tot de betaling van de Ottomaanse oorlogs≠schuld in 1834. De formatie van de nieuwe regimes vindt in die periode plaats. Ook daarna regeren de prinsen onder toezicht van Russische consuls. Formeel zijn Walachije en MoldaviŽ vazalstaten van het Ottomaanse Rijk, feitelijk zijn het Russische protectoraten. De onlusten van 1848 slaan ook over naar beide vorstendommen. In Iaşi weet de vorst de opstand zonder bloedvergieten in te dammen, maar in Boekarest moet de vorst instemmen met een revolutionaire regering die staat voor volkssoevereiniteit, persvrijheid en afschaffing van standen en herendiensten. Vier maanden later verdrijven Russische en Ottomaanse troepen de revolutionairen en keert men in beide landen terug naar het systeem van benoemde vorsten. De nationale en liberale ideeŽn en de eis te breken met de macht van de hoge adel laten zich echter niet zo makkelijk verdringen. De wens tot vereniging van beide vorstendommen wint duidelijk terrein. Dat blijkt ook uit de zelfbenaming. Een voorbeeld: eeuwen lang noemen inwoners van MoldaviŽ zichzelf MoldaviŽrs en niet Roemenen, al weten ze natuurlijk dat hun taal en tradities nauw verwant zijn met die van de bewoners van Walachije. In de eerste helft van de 19e eeuw wordt de term Roemeen in toenemende mate gebruikt, maar pas tegen het midden van die eeuw verdringt de Roemeen de MoldaviŽr van de eerste plaats. In BessarabiŽ (het huidige Moldova) noemen roemeens sprekenden zich trouwens nog steeds MoldaviŽrs.

Als de Russen in 1853 opnieuw beide landen binnenvallen, steunen Frank≠rijk en Engeland de sultan. Na de Krimoorlog moet Rusland de Donau≠monding weer afstaan aan het Ottomaanse Rijk, en MoldaviŽ krijgt ten noorden van de Donau toegang tot de Zwarte Zee. Het Russische protectoraat is voorbij en in beide landen worden de verkiezingen van 1857 gewonnen door de Ďunionistení die ťťn RoemeniŽ willen. Op de Conventie van Parijs opteren de Europese grootmachten echter voor het compromis van de ĎVerenigde Vorstendommení. Elk land kent zijn eigen vorst en regering, wel worden bestuur en rechtspraak op elkaar afgestemd en hun legers opereren onder ťťn chefstaf. Het standenparlement maakt plaats voor een assemblee, met kiesrecht op basis van inkomen en geletterdheid. In 1859 kiezen beide parlementen, unaniem, dezelfde vorst, voor het leven: Alexandre Ion Cuza. De Porte legt zich in 1861 bij dit voldongen feit neer. Cuza introduceert in hoog tempo hervormingen in onderwijs, handel en staatsinrichting om het land te moderniseren en zijn eenheid te vergroten. Ook voert hij nieuw burgerlijk en strafrecht in naar het voorbeeld van de Code Napolťon. Zijn liberale regering nationaliseert het grootgrondbezit van de buitenlandse kloosters, zoals van Athos, en verenigt en verzelfstandigt de Orthodoxe Kerk. Het latijnse schrift komt in de plaats van het cyrillische, het metrieke stelsel wordt ingevoerd. Onderwijs en cultuur zijn, althans voor de bovenlaag, sterk frans georiŽnteerd. Cuza botst echter met de conservatieve meerderheid van het parlement over zijn plannen om de grond te herverdelen ten gunste van de boeren. Hij ontbindt het parlement en houdt een referendum over een herziene grondwet die de vorst de macht geeft zonodig per decreet hervormingen door te voeren. Zo komt een half miljoen families in het bezit van meer dan 2 miljoen hectaren. Helaas worden de voordelige effecten grotendeels tenietgedaan door de snelle bevolkingsgroei. Zijn autoritaire regeerstijl en zijn chaotisch privťleven vervreemden Cuza van de liberalen. Een monsterverbond van conservatieven en liberalen dwingt hem in 1866 afstand te doen van de troon.

Ion Braţianu, sleutelfiguur in het Roemeense politieke krachtenveld, weet Karl von Hohenzollern-Sigmaringen, familie van de Duitse keizer, over te halen Cuza als erfelijk vorst op te volgen. Deze Carol I blijft katholiek, en zijn vrouw luthers, maar hun kinderen zullen orthodox opgevoed worden. Een nieuwe grondwet garandeert de burgerrechten en kent aan de monarch verregaande macht toe. De Orthodoxe Kerk wordt nu vrijwel staatskerk en RoemeniŽ is voortaan de officiŽle naam. De vorst, en vele Roemenen met hem, ervaren de vazaliteit aan de sultan als een vernederend anachronisme. Als in 1877 de tsaar, naar aanleiding van een bloedbad in Bulgarije, opnieuw oorlog tegen de sultan voert, scharen Carol I en de liberale regering van Braţianu zich aan zijn zijde. Bij Verdrag van Berlijn (1878) wordt de onafhankelijkheid van RoemeniŽ internationaal geregeld. Het land moet wel afstand doen van zijn oude verbinding met de Zwarte Zee, maar in ruil daarvoor pikt het de Dobroedsja in. In 1881 wordt Carol I gekroond, hij blijft koning van RoemeniŽ tot zijn dood in 1914. De ĎDacische projectení van de 19e en begin 20e eeuw willen alle roemeense gebieden bijeenbrengen in een Groot-RoemeniŽ, van de Dnjestr tot de Tisza (zijrivier van de Donau). Toch blijft tot 1918 het uiteenvallen van Oostenrijk-Hongarije bijna niet voorstelbaar. De meeste Transsylvaanse roemenen zien daarom een autonoom TranssylvaniŽ binnen een Habsburgse federatie, eventueel samen met de roemeense bevolking van de Boekovina en de Banaat, als een realistischer perspectief dan een utopisch project van eenwording met de Verenigde Vorstendommen MoldaviŽ en Walachije, of na 1866 met RoemeniŽ.

De Ďzieke man van Europaí
Het Ottomaanse Rijk krijgt in de 19e eeuw te maken met ernstige crises. De machtsstrijd tussen de sultan en zijn Egyptische gouverneur overschaduwt de problemen op de Balkan. Mehmet Ali valt in 1831 SyriŽ binnen, en nog hetzelfde jaar jagen de soldaten van zijn zoon het Ottomaanse leger bij Konya op de vlucht. Onderhandelingen lopen vast, maar Russische troepen verhinderen een Egyptische opmars naar de Bosporus. Sultan en tsaar tekenen een achtjarig defensieakkoord. Voortaan staat de Ďzieke man van Europaí hoog op de diplomatieke agendaís in Europa. De Griekse onafhankelijkheid en de Egyptische crisis hebben de zwakte van het rijk blootgelegd, en met het akkoord dreigt Rusland toegang te krijgen tot de Middellandse Zee. Engeland en Frankrijk, verwikkeld in koloniale wedijver, zijn beducht voor een ondermijning van hun posities. Ook Oostenrijk vreest groeiende Russische invloed via de panslavistische beweging op de Balkan. Voor de Europese grootmachten bepaalt de Ďoosterse kwestieí de toekomst van het Ottomaanse Rijk. Zij zoeken naar politieke oplossingen die tegemoetkomen aan de nationalistische bewegingen en hun eigen ambities bevredigen zonder het bestaan van het Ottomaanse Rijk ter discussie te stellen: dat zou het Europese machtsevenwicht verstoren. Ook intern nemen de tegenstellingen toe. Integratie met het kapitalistische wereldsysteem versterkt de positie van christelijke handelaren, industriŽlen en bankiers binnen het rijk. Anderzijds pogen sultan Mahmud II en zijn opvolgers met militaire, bestuurlijke en fiscale hervormingen de centrale staat te versterken. Hierdoor raakt de Ottomaanse maatschappij geleidelijk gepolariseerd tussen de voornamelijk islamitische militair-bureaucratische elite en de groeiende christelijke bourgeoisie. Centraal in de hervormingen van Mahmud II staat de opbouw van een modern leger onder leiding van Pruisische officieren. De Griekse onafhankelijkheidsstrijd heeft immers de incompetentie van de janitsaren eens te meer aangetoond. Natuurlijk komt deze elite-eenheid tegen de ondermijning van zijn positie in opstand (1826), maar de artillerie jaagt ze uiteen, schiet hun kazernes in brand, en de sultan ontbindt het korps. In de nasleep van deze Ďheilzame gebeurtenisí worden de heterodoxe bektasjiís, die al generaties lang nauwe banden onderhouden met de janitsaren, verboden, maar de soefi-orde weet te overleven in semi-clandestiniteit (zie nr. 34). De opbouw van een effectief leger kost tijd, vandaar het verlies in de Russische oorlog (1828-1829) en de Egyptische crisis.

Tanzimat
De volgende fase in de hervormingspolitiek (1839-1876) staat bekend als de Tanzimat. Bij decreet belooft de sultan garanties voor leven, eer en eigendom van zijn onderdanen, een ordentelijk systeem van belastinginning in plaats van verpachting, invoering van algemene militaire dienstplicht en gelijkheid voor de wet van alle onderdanen. Met deze hervormingen reageert de sultan op druk van Europa om de positie van de christenen te verbeteren. Maar ook intern zijn topfunctionarissen ervan overtuigd dat het Ottomaanse Rijk alleen overleeft als het een moderne gecentraliseerde rechtsstaat wordt. De praktijk blijkt weerbarstig. Door het ontbreken van een kadaster en van competente inners en door tegenwerking van lokale notabelen loopt de belastinginning uit op een volledige mislukking. Het staatsinkomen daalt, de uitgaven van de bureaucratie nemen toe. De regering begint daarom in de jaren veertig geld in het buitenland te lenen. Tegen 1870 gaat een derde van de inkomsten op aan rente en aflossing. Instandhouding van een modern leger en ambtelijk apparaat vereist ook een nieuw onderwijsstelsel om officieren en ambtenaren op te leiden. De stichting van seculiere scholen voor jongens van tien tot vijftien jaar is bedoeld om een brug te slaan tussen het traditionele lager onderwijs, zoals koranscholen, en moderne beroepsopleidingen. FinanciŽle tekorten veroorzaken dat in de eerste helft van de 19e eeuw nog geen zestig van deze Ďadolescentenscholení de deuren openen. Het nieuwe onderwijs culmineert in de Bestuursschool, de Militaire Academie en na 1861 in de Academie voor Wetenschappen. In 1869 wordt onderwijs voor meisjes verplicht, in theorie althans. De Tanzimat behelst ook een ingrijpende herziening van de bestuursstructuur. De taken van de grootvizier, traditioneel het alter ego van de sultan, worden verdeeld over diverse ministeries. Het centrum van de macht verschuift van het paleis naar de ministeries. In 1864 introduceert men, naar Frans voorbeeld, een nieuwe staatsgeleding, van Porte naar provincie (vilayet) en vandaar via district (sandjak) en subdistrict (kaza) naar plattelandsgemeenschap (nahiye) en dorp (kariye). In niet-islamitische gemeenschappen (millets) verliest de religieuze hiŽrarchie aan invloed ten gunste van vooraanstaande leken. De centrale regering plaatst deze ontwikkeling in het perspectief van een secularisering, door fusie wil men de diverse groepen laten opgaan in ťťn Ottomaans burgerschap. Maar dit Ďottomanismeí blijft een utopie, moslims blijven gehecht aan hun bevoor≠rechte status, christenen op de Balkan neigen naar autonomie- en onafhankelijkheids- bewegingen. Toch is het opmerkelijk is dat het rijk tijdens de Tanzimat-periode geen gebied verliest.

Jong-Turken
Sommige hervormers, door hun kennis van het frans en contacten met Europa vertrouwd geraakt met liberalisme en nationalisme, opponeren eind jaren zestig tegen de bureaucratische despotie van de Tanzimat. Buitengesloten uit de macht bepleiten deze ĎJonge Ottomanení in nieuwe kranten een constitutionele regering naar West-Europees voorbeeld en legitimeren die door te verwijzen naar de democratische tradities van de islam. Mede onder hun invloed wordt in 1876 een grondwet ingevoerd, die de gelijkheid van alle Ottomaanse onderdanen benadrukt (zie nr. 32). De macht van de sultan blijft groot: hij bekrachtigt de wetten, stelt ministers aan en roept het parlement bijeen. Als dat parlement zich te onafhankelijk opstelt, wordt het door de nieuwe sultan AbdŁlhamid II (1876-1909) vanaf 1878 geschorst, met de Russisch-Turkse oorlog als excuus. Inmiddels leidt een belasting≠verhoging in de Balkanprovincies tot opstand. Deze begint in 1875 in Herzegovina en slaat naar BosniŽ over (zie nr. 11). Het jaar daarna breekt de onafhankelijkheidsstrijd uit in Bulgarije (zie verderop). De boerenopstand in BosniŽ-Herzegovina, gesteund door ServiŽ, Montenegro en Rusland, leidt tot een internationale crisis waaraan het Congres van Berlijn onder voorzitterschap van Bismarck in 1878 een einde maakt. Oostenrijk-Hongarije, bevreesd dat de Russen de Dalmatische kust bereiken, bezet en bestuurt voortaan Ďin naam van de sultaní BosniŽ-Herzegovina en ook de Sandjak, die ServiŽ scheidt van Montenegro (zie nrs. 21 en 24). Tegelijk bezet Engeland Cyprus en moet de Porte de onafhankelijkheid van RoemeniŽ, ServiŽ en Montenegro accepteren. Door het autoritaire regime van AbdŁl≠hamid II verschuift het machtscentrum van de bureaucratische elite terug naar het paleis. De islamitische solidariteit verdringt het Ottomaanse burgerschap, en door de afsplitsing van christelijke staten op de Balkan raken de moslims binnen het rijk ver in de meerderheid (zie nr. 25). De traditionele verhoudingen tussen de geloofsgemeenschappen staan onder druk, christenen worden gediscrimineerd. Gevolg: het imago van het Ottomaanse Rijk in Europa verslechtert verder. Een groep studenten, ambtenaren en officieren, die het repressieve regime afkeurt, vormt in 1895 het Comitť voor Eenheid en Vooruitgang. Deze ĎJong-Turkení intensiveren hun verzet tegen de sultan in binnen- en buitenland. Agitatie onder officieren blijkt doorslaggevend. De sultan ziet zich in 1908 gedwongen opnieuw een grondwettelijke regering in te stellen; een ĎJong-Turksí-gezind legeronder≠deel verijdelt een conservatief-islamitische staatsgreep en bezet Istanboel. AbdŁlhamid II gaat in ballingschap, de ĎJong-Turkení komen aan de macht. Voortaan moeten ministers zich verantwoorden in het parlement.

Bulgarije
Door de geografische nabijheid van het machtscentrum krijgen bulgaars sprekende orthodoxen meer dan elders op de Balkan te maken met de islamiseringsdruk van het Ottomaanse Rijk. De moslims in de bulgaarse gebieden zijn afstammelingen van turkse kolonisten uit AnatoliŽ, van bulgaren die vrijwillig overgegaan zijn tot de islam of van de opgelegde islamisering via het devshirme-systeem (het periodiek gedwongen afstaan van christelijke jongens die verturkst worden en opgeleid voor een militaire of ambtelijke carriŤre). Tot ver in de 19e eeuw worden bulgaarse boeren uitgebuit door turkse grootgrondbezitters en vormen moslims de meerderheid in de meeste steden. Vanaf de tweede helft van de 18e eeuw ontstaat naast een griekse ook een bulgaarse handelsbourgeoisie, die later haar positie versterkt in geldwezen en industrie. Voor deze zelfbewuste klasse zijn goed onderwijs en veilige verbindingen cruciaal. De Tanzimat-hervormingen ondersteunen aanvankelijk hun streven naar geleidelijke democratisering in het Ottomaanse Rijk. Jongere generaties, vertrouwd geraakt met westerse politieke denkbeelden en na 1860 ook met socialistisch gedachtegoed uit Rusland, willen revolutionaire veranderingen. In deze kringen wint de overtuiging veld dat alleen een natiestaat de politieke, economische en culturele problemen kan oplossen. Het nationale bewustzijn van deze bulgaarse burgerij, die het grieks nog hanteert als lingua franca, is in hoge mate voorbereid door enkele persoonlijkheden uit de clerus. De beroemdste is wel Paisii van Chilendar, Ďvader van de bulgaarse renaissanceí, die in 1762 op Athos zijn ĎSlavisch-bulgaarse geschiedenisí afsluit. Dit vaak overgeschreven manuscript vormt een pleidooi voor het bulgaars in onderwijs en liturgie. Meer nog dan Ďhet Ottomaanse jukí stelt het de dominantie van het grieks in de kerk aan de kaak. In navolging van Ďvader Paisiií ontstaan bulgaarse schoolboeken, en in 1834 stichten handelaren de eerste bulgaars≠talige middelbare school; tien jaar later zijn het er al 54. Oost-bulgaarse dialecten worden, met west-bulgaarse toevoegingen, na 1870 gestandaardiseerd tot de nieuwe schrijftaal. Er ontstaan bulgaarse uitgeverijen in Smyrna, Wenen, Constantinopel en Moskou, en na 1860 radicale bulgaarse kranten in Belgrado en Novi Sad. Verbreiding van onderwijs en alfabetisme ook onder de boerenstand door leraren en priesters vormt de basis van het succes van de Bulgaarse natie, tweede helft 19e eeuw.

De nationale beweging kristalliseert zich rond de strijd voor een autonome Bulgaarse Kerk. Begin 19e eeuw groeit het verzet tegen het kopen van kerkelijke functies en de daaruit voortvloeiende corruptie. In de jaren veertig richt het protest zich niet langer tegen griekse bisschoppen omdat deze corrupt (zouden) zijn, maar omdat ze grieks zijn. Orthodoxen eisen dat de oecumenisch patriarch bisschoppen aanstelt die hķn taal verstaan. Het belangrijkste verzet komt van de grote en rijke bulgaarse gemeenschap in Istanboel die vanaf 1849 de liturgie in het kerkslavisch viert. In de paasviering 1860 noemt de lokale bisschop demonstratief de naam van de patriarch niet, aanleiding tot excommunicatie, en de beweging voor een autonome Bulgaarse Kerk neemt een grote vlucht. In het millet-systeem (zie hoofdstuk 3) bepaalt religieuze gezindte de culturele identiteit, maar voor bulgaren vloeit de religieuze identiteit voort uit hun nationale cultuur. Omdat tezelfdertijd protestantse en geŁnieerde missies in het bulgaars het monopolie van de Orthodoxe Kerk bedreigen, laat ook Rusland zijn bedenkingen tegen een Bulgaars-orthodoxe kerk varen. De Porte, bezorgd over groeiend separatisme van christenen in haar rijk, probeert de loyaliteit van bulgaren te herwinnen door een Bulgaars Exarchaat toe te staan dat zich alleen nog nominaal moet voegen naar het patriarchaat van Constantinopel (zie nr. 22). De patriarch stemt echter niet in met het decreet. Daarop organiseren bulgaren in 1872 eenzijdig hun exarchaat, dat prompt door de patriarch als schismatiek wordt bestempeld. De kerkelijke autonomie bevestigt de opkomende bulgaarse identiteit; rest deze in politieke termen te vertalen. Oppositie tegen het Ottomaanse systeem heeft eeuwen lang de vorm aangenomen van Ďhajduksí in de bergen. Deze rebellen-bandieten zijn niet typisch bulgaars, maar 19e-eeuwse volksliederen romantiseren en nationaliseren ze. Deze traditie inspireert bulgaren die in de jaren zestig vanuit ServiŽ en Walachije Ottomaans gebied binnenvallen. Ze krijgen echter nauwelijks steun van bulgaarse boeren. Hun leider Vasil Levski gaat daarom over tot vorming van inheemse clandestiene cellen. Het ĎBulgaarse Revolutionaire Centrale Comitťí in Boekarest bereidt een massale opstand voor een democratische Bulgaarse republiek voor. Als Levski in 1873 wordt gearresteerd en in Sofia wordt opgehangen krijgt de Bulgaarse vrijheidsstrijd haar eerste martelaar.

De onlusten van 1875 in BosniŽ-Herzegovina vormen de opmaat voor de Bulgaarse opstand van 1876. Als Ottomaanse hulptroepen, basji-boezoeks, deze met harde hand onderdrukken, waarbij zij duizenden bulgaren ombrengen, gaat er een schokgolf door Europa. De eveneens grootschalige moordpartijen van christenen op moslims worden daarbij vrijwel genegeerd. In Engeland gebruikt de liberale oppositie de ĎBulgarian Massacresí als propaganda tegen de Ďpro-Turkseí regering van Disraeli. De pro-Ottomaanse stemming die sinds de Krimoorlog de boventoon heeft gevoerd, verdwijnt nu ook in Frankrijk. In Rusland bereikt de panslavische solidariteit een hoogtepunt, en de tsaar verklaart de sultan de oorlog. Neutraliteit van Oostenrijk wordt geregeld door in te stemmen met hun bezetting van BosniŽ-Herzegovina. Roemeense en Bulgaarse vrijwilligers vechten zij aan zij met Russische soldaten in de ĎBevrijdingsoorlog van 1877-1878í. Ondanks hardnekkige tegenstand, die meer dan honderdduizend doden vergt, worden de Ottomaanse troepen onder de voet gelopen: al snel staan de Russen op twaalf kilometer van Istanboel. Maart 1878 wordt in San Stefano (nu YesilkŲy) een catastrofaal vredesverdrag gesloten: de Porte wordt gedwongen de volledige onafhankelijkheid van RoemeniŽ, ServiŽ en Montenegro te accepteren. Het verdrag voorziet ook in een autonoom vorstendom Bulgarije van de Zwarte tot de EgeÔsche Zee, inclusief het merendeel van MacedoniŽ (maar zonder Saloniki) en van ThraciŽ (zie nr. 23). Dit Groot-Bulgarije, dat nog steeds een schaduw werpt over de Bulgaarse politieke agenda, is voor de westerse mogendheden onverteerbaar. Om de Russische invloed aan banden te leggen komt onder druk van Engeland en Oostenrijk juli 1878 in Berlijn een nieuw verdrag tot stand dat MacedoniŽ en Zuid-ThraciŽ teruggeeft aan de Porte en de rest van Bulgarije in tweeŽn splitst. Het gebied ten zuiden van het Balkangebergte wordt als Oost-RoemeliŽ een autonome provincie in het rijk van de sultan, maar zonder Ottomaans garnizoen. De regio rond Sofia en het gebied ten noorden van die bergrug wordt het vorstendom Bulgarije, alleen nominaal onder de sultan.

Een wetgevende vergadering kiest in 1879 in Tarnovo voor een democratische grondwet. De vorst die vervolgens aantreedt, de autocratisch gezinde Duitse prins Battenberg, een neef van de tsaar, die heeft meegevochten in de bevrijdingsoorlog, schort die al in 1881 op, maar interne oppositie tegen Russische invloed op de binnenlandse verhoudingen dwingt hem in 1883 de terugkeer naar een democratische regering te accepteren. In Oost-RoemeliŽ regeert een door de sultan, met instemming van de mogendheden, benoemde gouverneur-generaal, die wordt bijgestaan door een gekozen raad. Hier neemt de agitatie voor eenheid met het vorstendom een grote vlucht. Lokale milities plegen in 1885 een coup, en de prins en zijn leger trekken naar Plovdiv om de personele unie met Bulgarije te proclameren. Het Ottomaanse Rijk staat voor een voldongen feit en accepteert dat na veel diplomatiek wapengekletter. Maar ServiŽ, dat zich plotseling overvleugeld ziet, verklaart Bulgarije de oorlog en trekt op naar Sofia. Een Bulgaars volksleger treedt in grote vaart het Servische leger tegemoet en jaagt het op de vlucht. Rusland keert zich nu tegen de Bulgaarse expansie: het heeft zich immers bij verdrag met Duitsland en Oostenrijk verplicht tot handhaving van de statusquo op de Balkan. Sint-Petersburg organiseert een militair complot tegen Battenberg; de Bulgaarse nationalisten steunen aanvankelijk de vorst, maar 1886 moet hij toch afstand doen van de troon. De nationaal-liberale politicus Stambolov neemt de macht over. Gesterkt door een anti-Russische verkiezingsmeerderheid schuift hij de Habsburgse favoriet Ferdinand von Saxe-Coburg-Gotha naar voren als nieuwe vorst van Bulgarije. Door Stambolovs genadeloze onderdrukking van elke pro-Russische groepering verwordt zijn regering tot een dictatuur. Zijn vroegere protťgť prins Ferdinand, die droomt van een Groot-Bulgarije (zie nr. 2), weet hem in 1894 aan de kant te schuiven, een jaar later wordt hij op straat vermoord. Ferdinand zoekt nu internationale erkenning via toenadering tot Rusland, en stap voor stap vergroot hij zijn persoonlijke macht ten koste van het parlement. In 1908 komen de ĎJong-Turkení in Istanboel aan de macht. Zij willen alle Ottomaanse gebieden, inclusief Oost-RoemeliŽ en BosniŽ-Herzegovina, verenigen en moderniseren. In reactie hierop roept prins Ferdinand de onafhankelijkheid van Bulgarije uit en neemt de titel aan van tsaar der Bulgaren. Oostenrijk-Hongarije ziet zijn kans schoon en annexeert BosniŽ-Herzegovina.

AlbaniŽ
Van alle Balkanvolkeren zijn albanezen nog het meest geneigd zich te bekeren tot de islam. Dit sluit aan bij hun beproefde traditie: Ďwaar het zwaard is, daar is de religieí. Onder dreiging van oorlog zetten de Ottomanen bovendien in de loop van de 18e eeuw een politiek van islamisering in. Niet-moslims moeten extra belasting betalen, terwijl het hoofd van een huis dat zich tot de islam bekeert van de sultan gratis grond krijgt. Met deze politiek hoopt de Porte de albanese moslims ideologisch en sociaal aan het rijk te binden, en ze tevens te rekruteren voor de grensverdediging. Om hun bevoorrechte positie in het rijk worden zij vaak als ĎTurkení geclassificeerd. Eind 18e eeuw dreigen albanese gebieden te ontsnappen aan de autoriteit van de sultan, maar na de vernietiging van vazalstaten als die van Ali Pasja van IoŠnnina hernemen voorname moslimfamilies hun oude posities in de staat. Istanboel blijft bang voor een hernieuwd autonomiestreven. In 1830 worden lokale notabelen naar Monastir genood om ze feestelijk te belonen voor hun loyaliteit aan de Porte; 500 van hen worden verraderlijk vermoord. Om nieuwe revoltes te bemoeilijken wordt het overwegend albaneestalige gebied in 1865 verdeeld over de provincies Scutari, Monastir, IoŠnnina en later ook Skopje, elk met eigen gouverneur en garnizoen. Hoewel de Ottomaanse heerschappij resulteert in economische en culturele stagnatie, er zijn nauwelijks verharde wegen en geen albanese scholen, beschouwen albanezen haar nog lang als veiligheidsgarantie tegen slavische en griekse buren. Tijdens de crisis van 1878 vallen ServiŽrs Kosovo binnen, trekken Montenegrijnen op naar Scutari en valt Griekenland de provincie IoŠnnina aan. Bij het Verdrag van San Stefano krijgt ServiŽ het district Priötina, Montenegro het gebied van Podgorica naar Peć, en Groot-Bulgarije omvat ook de streken rond Debar en KorÁŽ. Maar bij het Verdrag van Berlijn komen deze vooral albanese gebieden weer onder Ottomaans bewind, met uitzondering van kleine stukken die Montenegrijns blijven.

Enkele dagen voor het Congres van Berlijn komen zoín 300 albanese nationalisten bijeen in de Kosovaarse stad Prizren. De Liga van Prizren (1878-1881) stelt: ĎNet zoals wij geen turken zijn, en ook niet willen zijn, zo zullen wij ons met alle kracht verzetten tegen eenieder die ons wil veranderen in slaven, oostenrijkers of grieken; wij willen albanezen zijn.í In reactie op de territoriale concessies verslaan vrijwilligers van de Liga het Montenegrijnse leger. De Porte suggereert daarop in Berlijn dat beter gebieden met katholieke albanese clans dan met islamitische bij Montenegro gevoegd kunnen worden. Maar als het Ottomaanse leger zich hieruit terugtrekt, nemen troepen van de Liga ze in bezit: albanese stamverbanden blijken machtiger dan de religieuze verschillen tussen haar clans. Als het tot de grootmachten doordringt dat de Liga geen Ottomaanse mantelorganisatie is, vergroten zij de druk op de Porte opdat zij haar albanese onderdanen dwingt zich te houden aan het verdrag. Een felle strijd ontbrandt, die elke verdere samenwerking tussen de Liga en de Porte onmogelijk maakt. De Liga protesteert ook bij de grootmachten tegen het verlies van Ďhuní gebied aan Griekenland. Wat albanezen ChamerŪa (Zuid-AlbaniŽ) noemen is voor grieken Noord-Epirus. De etnische identiteit van de regio is meerduidig: men spreekt er albanees, maar ook grieks wordt algemeen verstaan. De Liga eist dat de provincie IoŠnnina herenigd wordt met de andere drie tot ťťn autonoom gebied. Na moeizame onderhandelingen komt men overeen dat Griekenland ThessaliŽ en de Epirische stad Arta verwerft, de provincie IoŠnnina blijft Ottomaans. Elders breidt de guerrilla tegen de Porte zich uit. Begin 1881 nemen Liga-strijders Priötina in en controleren Skopje en Debar. Als de Liga ook de bestuurders uit Kosovo verdrijft, rukt het Ottomaanse leger op en bezet na hardnekkig verzet Prizren. De leiders van de Liga worden binnen het rijk verbannen. Uit deze verwikkelingen blijkt dat, in tegenstelling tot het servisch nationalisme, waar etnische en religieuze identiteiten zijn versmolten, in het albanees nationalisme religieuze verschillen ondergeschikt raken. De nationale identiteit van rooms-katholieken, soennitische moslims, heterodoxe soefiís en Grieks-orthodoxen in de albanese provincies wordt steeds meer gebaseerd op hun gemeenschappelijke taal.

Hoewel Bismarck op het Congres van Berlijn verklaart dat er geen albanese nationaliteit bestaat, kunnen de grootmachten niet meer om de albanese kwestie heen. Het programma van de Liga heeft blijvende invloed. Het inspireert albanese kranten, tijdschriften en scholen, binnen het Ottomaanse Rijk en daarbuiten. Albanezen spelen ook een prominente rol in de revolutie van 1908, die de ĎJong-Turkení aan de macht brengt. Maar al gauw botst het programma van centralisering en verturksing op hun streven naar autonomie. De verstandhouding verslechtert vooral door de kwestie van het albanese alfabet. De ĎJong-Turkení staan op het gebruik van het traditionele arabische schrift, maar albanese nationalisten geven de voorkeur aan latijns schrift. Dat is simpeler voor de albanese klanken, en christenen en moslims kunnen zich daarmee beter een gemeenschappelijk erfgoed eigen maken. Als een congres in 1909 voor het latijnse alfabet kiest, reageert de Ottomaanse overheid met sluiting van albanese kranten, nationale clubs en de weinige albanese scholen. De Porte slaat een opstand rond Priötina (1910) gewelddadig neer (zie nr. 8). Het leger brandt hele dorpen plat, jaagt rebellen en vluchtelingen de bergen in en de grens over. Onder druk van Oostenrijk-Hongarije, dat Kosovo beschouwt als buffer tegen Servische expansie, reist de sultan juni 1911 naar de opstandige provincie. Hij belooft algemene amnestie en staat weer albanese scholen toe, maar de kalmeringsmissie boekt nauwelijks resultaat. In september verklaart ItaliŽ de Porte de oorlog en verslaat de Ottomaanse troepen in LibiŽ. In december begint in Kosovo alweer een opstand, en juli 1912 zijn vrijwel alle albanese gebieden in handen van rebellen. Wapens en geld komen van albanese kolonies in Egypte, ItaliŽ en Amerika. Kort daarna sluiten ServiŽ, Montenegro, Bulgarije en Griekenland een geheime alliantie om hun claims op het resterende Ottomaanse gebied in Europa te kunnen verzilveren en verklaren in oktober de Porte de oorlog (zie nr. 31). De hoop van de albanezen om neutraal te kunnen blijven vervliegt als de alliantie hun gebieden binnendringt: ze moeten wel met de turkse troepen meevechten. Als een hopeloze Porte tussenkomst van de grootmachten zoekt, roepen albanezen uit alle streken in het Zuid-Albanese VlorŽ 28 november 1912 een onafhankelijk AlbaniŽ uit. Ismael Kemal komt aan het hoofd te staan van een nationale regering. De voorlopige regering wordt echter bestreden door beys en imams in Centraal-AlbaniŽ die liever een islamitische vorst zien dan een westers bewind. En het Albanese hooggebergte koestert zijn traditionele stamwetten, ook tegenover de nationale regering.

De Conferentie van Londen verklaart juli 1913 AlbaniŽ tot een internationaal erkende soevereine staat, zijn grenzen blijven echter fel omstreden (zie nr. 33). De grootmachten bepalen dat ServiŽ zich moet terugtrekken van de Adriatische kust, maar het houdt Kosovo en de albanese streken van MacedoniŽ. Montenegro hoeft alleen ShkodŽr op te geven. Griekenland moet het huidige Zuid-AlbaniŽ verlaten, maar krijgt het grootste deel van de ChamerŪa, voor hen Noord-Epirus (zie nr. 3). Het gevolg van deze compromissen is dat meer dan de helft van de albanees sprekenden buiten AlbaniŽ woont. Griekse strijders en Servische troepen blijven bovendien actief in gebieden die ze zouden evacueren. In deze precaire situatie komt de door de grootmachten gekozen vorst, Wilhelm zu Wied, maart 1914 naar DŁrres. Het ontbreekt deze 35-jarige prins aan bestuurlijke ervaring, vol≠doende inkomsten en een leger om dit complexe land op orde te brengen. Het eerste kabinet van de prins telt geen prominenten uit de nationale beweging. Wel benoemt hij zijn machtigste rivaal tot minister van Defensie. De macht van de regering strekt nauwelijks verder dan de steden DŁrres en VlorŽ en hun omgeving, in ShkodŽr zit een internationale troepenmacht. Als boeren in opstand komen, verdenkt men de minister van Defensie, Essad Pasha, ervan met hen samen te spannen. Ook zou hij door ServiŽ gesteund worden. De minister wordt gearresteerd en naar ItaliŽ verbannen, waar hij als een held ontvangen wordt. De politieke chaos verergert als Ottomaanse propagandisten de boeren influisteren dat de prins antimoslim is. Om de ongeregeldheden in te dammen haast de door Nederlandse officieren geleide Albanese gendarmerie zich op weg naar Tirana. Halverwege openen zij het vuur op demonstrerende boeren, er vallen doden. De woedende reactie van de bevolking rond Tirana richt zich nu tegen het hof in DŁrres. De artillerie die DŁrres verdedigt staat onder leiding van de legendarische Hollandse majoor Thomson, die er op 15 juni sneuvelt. Twee weken later worden de Habsburgse kroonprins en zijn vrouw in Sarajevo vermoord. Prins zu Wied weet nog twee maanden stand te houden, maar als hij AlbaniŽ voorgoed verlaat, is de Eerste Wereldoorlog al uitgebroken.

C. Van de Balkanoorlogen tot de Ďbalkaniseringí van JoegoslaviŽ

De Balkanoorlogen
Tijdens de korte Italiaans-Ottomaanse oorlog van 1911 wordt eens te meer duidelijk hoe belabberd het Ottomaanse leger ervoor staat. Als gezegd sluiten kort daarna ServiŽ, Montenegro, Bulgarije en Griekenland geheime allianties. Doel is een einde te maken aan de aanwezigheid van de Ottomanen in Europa, de grote twistappel is MacedoniŽ. Ofschoon de verschillende verdelingsplannen niet identiek zijn, komt dit multietnische gebied daarin grotendeels aan Bulgarije toe (zie nrs. 26-29). In oktober 1912 brandt de strijd los. Het Ottomaanse leger wordt als verwacht bijna overal onder de voet gelopen. De zwaarste weerstand ondervinden de Bulgaren, die toch weten op te rukken tot de poorten van Istanboel. Bij het Verdrag van Londen dat deze Eerste Balkanoorlog beŽindigt (mei 1913), verliest de Porte alle grondgebied in Europa op een zeer klein stukje bij de hoofdstad na: RoemeliŽ is niet meer. De veroveraars doen er alles aan om de herinnering aan de Ottomaanse heerschappij uit te wissen. Met name albanezen zijn het slachtoffer van massale executies en verdrijvingen, maar ook elders wordt Ďetnisch gezuiverdí. Onenigheid over de verdeling van het veroverde gebied wordt versterkt door de eis van Oostenrijkers en Italianen dat er een onafhankelijk AlbaniŽ dient te komen. ServiŽrs en Grieken eisen compensatie in MacedoniŽ, ook RoemeniŽ bemoeit zich ermee. Bulgarije is zo onverstandig zelf het vuur te openen op Servische en Griekse troepen. Tijdens deze Tweede Balkanoorlog keert iedereen zich tegen Bulgarije. Na zware nederlagen moet Bulgarije er zich in het Verdrag van Boekarest (augustus 1913) bij neerleggen dat MacedoniŽ bijna helemaal in handen komt van Griekenland en ServiŽ en dat het Ottomaanse Rijk Oost-ThraciŽ tot en met Edirne weer terug verovert. Bovendien pikt RoemeniŽ de zuidelijke Dobroedsja in. De gevolgen voor de burgerbevolking zijn verschrikkelijk. ĎDe turken vluchten voor de christenen, de bulgaren vluchten voor de grieken en de turken, de grieken en de turken vluchten voor de bulgaren, de albanezen vluchten voor de serviŽrsí, aldus het rapport van de ĎInternational Commission to inquire into the causes and conduct of the Balkan Warsí. Het komt vervolgens vaak neer op assimilatie of deportatie.

De Eerste Wereldoorlog
Vanuit het perspectief van de Balkan is de Eerste Wereldoorlog een derde Balkanoorlog. Na het ultimatum van de Dubbelmonarchie als uitvloeisel van de moord op kroonprins Frans-Ferdinand in Sarajevo valt het Oostenrijks-Hongaarse leger ServiŽ aan, maar het wordt al snel tot staan gebracht en zelfs teruggeslagen. Maar als Bulgarije in 1915 ServiŽ in de rug aanvalt, is zijn lot bezegeld: het trekt zich, samen met Montenegro, overhaast terug en doet dat via AlbaniŽ. Tegelijk smoort een Brits-Franse poging de toegang tot de Zwarte Zee te forceren in bloed op de stranden van het schiereiland van Gallipoli, waar vooral AustraliŽrs en Nieuw-Zeelanders bij bosjes sneuvelen tegen de handige tactiek van een Turkse generaal: Mustafa Kemal, die zich later AtatŁrk zal noemen. RoemeniŽ doet aanvankelijk niet mee, maar als het zich laat overhalen TranssylvaniŽ binnen te trekken (1916), worden ook de Roemeense strijdkrachten onder de voet gelopen door Oostenrijk-Hongarije en Bulgarije, gesteund door een grote Duitse troepenmacht. Net als in Frankrijk bevriezen de fronten in loopgraven: van RoemeniŽ blijft alleen MoldaviŽ vrij van de Centrale Machten, aan het zuidfront in AlbaniŽ en Griekenland, formeel neutrale staten, staan Oostenrijk-Hongaren, Bulgaren en Duitsers tegenover Fransen, Britten, Italianen en de resten van het Servische leger. In de bezette gebieden worden concentratiekampen ingericht en gaan de zuiveringen en deportaties door, met name in MacedoniŽ. Zelfs hongersnood wordt gecreŽerd. Aan het eind van de oorlog storten de fronten van de Centrale Machten in enkele weken ineen. Het is het einde van de Oostenrijks-Hongaarse veelvolkerenstaat.

Versailles, Trianon, Neuilly, SŤvres, St. Germain-en-Laye
De verdragen in deze voorsteden van Parijs herschikken opnieuw de kaart van de Balkan. De orde van het Verdrag van Wenen (1815), met grote autocratische veelvolkerenmonarchieŽn, maakt definitief plaats voor de natiestaat. Het officiŽle doel is door het trekken van grenzen en het Ďuitruilení van bevolkingsgroepen Ďetnischí homogene staten te creŽren. De werkelijkheid is complexer: de onafhankelijkheid van AlbaniŽ wordt herbevestigd, maar een groot deel van de albaneestaligen woont buiten de grenzen. Hongarije verliest enorme territoria: SloveniŽ, KroatiŽ en SlavoniŽ aan JoegoslaviŽ, Slowakije aan Tsjechoslowakije en TranssylvaniŽ aan RoemeniŽ, meer dan tweederde van het vooroorlogs gebied. Ineens woont een kwart van de hongaarstaligen buiten het land (zie nr. 36). In de chaos na de oorlog poogt RoemeniŽ nog meer dan TranssylvaniŽ en de Boekovina van de Dubbelmonarchie in te pikken (zie nr. 1). Het blijft bij de helft van de Banaat en de oostrand van Hongarije, maar het land bereikt in zijn poging Groot-RoemeniŽ te worden dat roemenen minder dan driekwart van de inwoners uitmaken. Griekenland neemt niet alleen, conform verdrag, Zuid-ThraciŽ van Bulgarije over, maar trekt wat er over is van het Ottomaanse Rijk binnen om alle gebieden waar grieken wonen te annexeren. Vanuit AnatoliŽ organiseert AtatŁrk de tegenstand, verslaat de Grieken vernietigend en sticht de Turkse Republiek. Gevolg: opnieuw massale volksverdrijvingen. De uitwisseling van miljoenen turken en grieken wist belangrijke sporen uit van de Ottomaanse Balkan.

Het Interbellum
De staten die iets te verliezen hebben bij het ter discussie stellen van de nieuwe grenzen, kruipen bij elkaar: Tsjechoslowakije, RoemeniŽ en JoegoslaviŽ vormen een ĎKleine Ententeí. Anderzijds verziekt het revanchisme de politieke verhoudingen in Hongarije en Bulgarije. In alle Balkanstaten volgen regeringswisselingen elkaar in hoog tempo op. De liberale democratie, overwinnaar van de Grote Oorlog, beklijft niet. Populistische, ultranationalistische en antidemocratische bewegingen ondermijnen het respect voor minderheden, vreemd genoeg gebruiken de boeren de macht van hun getal niet om landhervormingen af te dwingen. De Balkan blijft een achtergebleven gebied zonder industrie en met Ďpremoderneí verhoudingen op het platteland. Stuk voor stuk wijzigt het regime in de verschillende staten van democratisch in dictatoriaal: mede onder invloed van de fascistische revolutie in ItaliŽ (1922) roept de gekozen president Zogu van AlbaniŽ zich uit tot koning en trekt alle macht aan zich (1924). Vooral na het mislukken van het economische avontuur van het openstellen van de lokale markten voor internationaal kapitaal en de schuldencrises als gevolg van de New Yorkse beurskrach gaat het snel: een staatsgreep van de koning maakt van JoegoslaviŽ een autoritaire monarchie (1929), tsaar Boris III installeert in Bulgarije na een lange periode van instabiliteit een koninklijke dictatuur (1934), in Griekenland grijpt generaal Metaxas de macht (1936), Carol II kan in RoemeniŽ een staatsgreep van de fascistische IJzeren Garde alleen voorkomen door zelf absoluut monarch te worden (1938), en Hongarije verandert van een parlementaire monarchie zonder monarch langzaam maar zeker in een autocratische vazalstaat van Hitler-Duitsland.

Naast Tsjechoslowakije vormt JoegoslaviŽ het bewijs dat na de oorlog niet alleen ruimte is voor de natiestaat. Ruim voor het einde van de oorlog tekenen vertegenwoordigers van slovenen, kroaten en de Servische regering de Verklaring van Corfķ, waarin de eenheid van de zuid-slavische volkeren wordt geproclameerd. De ineenstorting van Oostenrijk-Hongarije maakt de weg vrij voor de Servische kroonprins Alexander als ĎKoning van de Serven, Kroaten en Slovenení. De problemen beginnen echter meteen bij het opstellen van een grondwet: moet het een gecentraliseerde eenheidsstaat worden (dus onder servische dominantie), of een federale staat, waarin meer ruimte is voor de vele nationaliteiten, vooral voor de kroaten? De juist opgerichte Volkerenbond, voorloper van de Verenigde Naties, eist bescherming van minderheden. Maar in landen in wording kan het opleggen van minderheidsrechten de staatseenheid bedreigen. De afgedwongen stichting van griekse scholen in Zuid-AlbaniŽ schept bijvoorbeeld broeinesten van irredentisme (zie ook nr. 3). Verdwijnt echter de democratie, dan zijn de individuele rechten in gevaar en ligt de dictatuur van ťťn van de volkeren op de loer. Zo ook hier: nadat door een boycotactie van de kant van de kroaten een centralistische grondwet kon worden aangenomen, raken de verhoudingen steeds meer ver≠stoord, culminerend in de moord op de kroatische leider Radić in het parlement door een montenegrijns parlementslid. De moord vormt aanleiding tot de koninklijke staatsgreep (1929). De naam verandert nu in JoegoslaviŽ (zie ook nr. 9). Kroatische nationalisten neigen steeds meer in fascistische richting, koning Alexander wordt in 1934 door kroaten vermoord. Pas onder dreiging van de aankomende oorlog verzoenen serviŽrs en kroaten zich in 1939, maar niet voor lang.

Tweede Wereldoorlog
Al voor het begin van de oorlog heeft het fascistische ItaliŽ zijn vazalstaat AlbaniŽ geannexeerd. Na de inval in Polen en het Hitler-Stalinpact moet RoemeniŽ BessarabiŽ en Noord-Boekovina aan de Sovjet-Unie afstaan. De hel breekt los als Hitler van JoegoslaviŽ eist zich bij de As (Duitsland-ItaliŽ-Japan) aan te sluiten. Als de regent Ďjaí zegt wordt hij onttroond: het land zal (opnieuw) de hopeloze strijd aangaan. Hitler verliest nu kostbare tijd in zijn ĎBlitzkriegí tegen JoegoslaviŽ en Griekenland (april-mei 1941), waardoor hij pas aan het begin van die zomer de Sovjet-Unie kan aanvallen. Turkije blijft neutraal, maar de andere Balkanstaten, Hongarije, RoemeniŽ (zie nr. 37) en Bulgarije, sluiten verbonden met de naziís. JoegoslaviŽ wordt ontmanteld: Duitsland (een groot deel van SloveniŽ), ItaliŽ (de rest van SloveniŽ, delen van de Dalmatische kust, Kosovo), Hongarije (enkele grens≠regioís) en Bulgarije (MacedoniŽ) annexeren delen, Montenegro herkrijgt zijn Ďonafhankelijkheidí, KroatiŽ wordt onder leiding van Pavelić en de Ustaöiís een fascistische vazalstaat (en annexeert BosniŽ-Herzegovina), romp-ServiŽ zucht onder Duitse bezetting. Al eerder heeft Duitsland ingegrepen in de verhoudingen: Noord-TranssylvaniŽ is bij het ĎDictaat van Wenení (1940) door RoemeniŽ aan Hongarije afgestaan en de zuidelijke Dobroedsja opnieuw aan Bulgarije. Desondanks strijden Roemeense en Hongaarse legers als hulptroepen van Hitler zij aan zij tot aan de poorten van Stalingrad (zie nr. 39). In Griekenland gaat het sefardische Saloniki voorgoed teloor: vrijwel de gehele joodse gemeenschap verdwijnt in 1943 in de gaskamers van Auschwitz (zie ook nr. 30).

In grote delen van de Balkan begint de vrijheidsstrijd vrijwel meteen en vertoont vaak trekken van burgeroorlog. Koningsgezinde serviŽrs raken geleidelijk verzeild in collaboratie met de Duitsers tegen de communisten van Tito, de Ustaöiís houden huis onder alle niet-kroatische bevolkingsgroepen in Groot-KroatiŽ (met uitzondering van de moslims), nationalisten en communisten vechten in AlbaniŽ net zo fel tegen elkaar als tegen de Italiaanse, later Duitse bezetters, de behandeling van hongaren in het Roemeense deel van TranssylvaniŽ is al niet beter dan die van roemenen in het Hongaarse deel (zie ook nr. 38). De capitulatie van ItaliŽ in 1943 vergroot de bezettingslast voor de Duitsers. Als in 1944 ook Hongarije en RoemeniŽ zich aan de oprukkende Sovjet-troepen overgeven, wordt de militaire situatie voor Duitsland onhoudbaar: Griekenland, AlbaniŽ en JoegoslaviŽ worden ontruimd, de laatste nazi-troepen verdwijnen begin 1945 uit de Balkan.

Het IJzeren Gordijn en de periode van communistische dominantie
De enige serieuze macht die nu de Balkan domineert is de Sovjet-Unie. Er vinden dan ook communistische omwentelingen plaats in RoemeniŽ, Hongarije en Bulgarije. Onder leiding van Tito bevrijdt JoegoslaviŽ min of meer zichzelf, en dat geldt ook voor het AlbaniŽ van Hoxha, maar beide staten zijn op de Conferentie van Jalta (tussen de Sovjet-Unie, de Verenigde Staten en Groot-BrittanniŽ, 1945) als invloedssfeer aan de Sovjets toegewezen. Verzet van niet-communistische nationalisten (AlbaniŽ) en royalisten (JoegoslaviŽ) kan dan ook ongestraft gebroken worden. Griekenlands positie is minder duidelijk. Ofschoon het als invloedssfeer is toebedeeld aan de Britten, weigert de communistische oppositie de wapens neer te leggen. In de bloedige burgeroorlog die volgt zit ook een etnisch element: slaven en albanezen in het noorden hopen op aansluiting bij hun broeders over de grens, de vlachen zijn de dupe van de strijd in hun bergachtige woongebied. Een ĎIJzeren Gordijn daalt neer over Europaí (Churchill), maar homogeen in hun vazaliteit aan Stalin zijn de nieuwe communistische dictaturen niet. Opnieuw is de bevolkings- samenstelling op de Balkan drastisch gewijzigd. De staten worden etnisch steeds homogener na de moord op de joden, de verdrijving van de meeste Duitsers (wegens collaboratie) en de zuiveringen in Griekenland na afloop van de burgeroorlog (1949). Er blijven echter belangrijke minderheden: hongaarstaligen in TranssylvaniŽ, moslims in Bulgarije en natuurlijk de vele volkeren in JoegoslaviŽ.

Er lijkt nu een periode van internationalisme in te treden op de Balkan. ĎAartsvijandení Griekenland en Turkije werken samen in de NAVO en Hongarije, RoemeniŽ en Bulgarije maken deel uit van het Warschaupact en zijn economische pendant. Ieder lid doet mee aan de internationale arbeidsdeling, voor arbeiders speelt ras, afkomst of taal geen rol (al moet natuurlijk iedereen russisch leren). Helaas: schijn bedriegt. Achter de faÁade van modernisering, rationalisme, Ďsystematiseringí en international(istisch)e solidariteit blijven oude spoken actief. De positie van de laatste moslims in West-ThraciŽ (Griekenland) is niet te benijden. Pas als hun enige vertegenwoordiger in het Atheense parlement nodig is voor een meerderheid van socialisten of conservatieven krijgt hun discriminatie aandacht, kunnen enige rechten worden afgedwongen. Moslims en turken aan de andere kant van de grens, in Bulgarije, worden in 1960 en opnieuw in de jaren 1980 getroffen door verdrijvings- en bulgariseringscampagnes, speciaal als het regime door andere oorzaken in problemen verkeert. Het bestaan van een grieks volksdeel wordt in AlbaniŽ simpelweg ontkend, maar dat is slechts ťťn van de symptomen van een totalitair regime dat godsdienst als zodanig verbiedt (zie nr. 34). Spiegelbeeldig is de ontkenning van aanwezigheid van albanezen aan de andere kant van de grens. Problematisch is de positie van szeklers en andere hongaarstaligen in TranssylvaniŽ. Aanvankelijk bestaat er een autonoom hongaars gebied en zijn er culturele vrijheden, maar als Ceauşescuís bewind radicaliseert verdwijnt de autonomie en wordt een politiek van roemanisering doorgevoerd. De spanning met Hongarije, dat zich de beschermer acht van de hongaarstaligen in TranssylvaniŽ, loopt af en toe hoog op. Hun positie als vroegere heersers en culturele elite maakt het lastig te erkennen minderheid te zijn en bij roemenen speelt een historisch gevoel van minderwaardigheid ook een rol.

Het JoegoslaviŽ van Tito
Tito slaagt er in een eigenstandige federatieve volksrepubliek te stichten die niet door de grootste minderheid, de serviŽrs, wordt gedomineerd. Het naoorlogse JoegoslaviŽ is wel eens gekenschetst als een land van Ďzes republieken, vijf naties, vier talen, drie religies, twee alfabetten en ťťn Titoí. Zeker na de breuk met de Sovjet-Unie (1949) kennen die zes republieken (ServiŽ, KroatiŽ, SloveniŽ, BosniŽ-Herzegovina, Montenegro en MacedoniŽ) en twee aparte provincies (Kosovo en Vojvodina) grote autonomie, nog eens verdubbeld door arbeiderszelfbestuur in de bedrijven. Keerzijde van de medaille is dat totale stagnatie alleen voorkomen kan worden door Titoís charisma en zo nodig door de ijzeren vuist van de communistische partij. Ondershuids sluimeren tegenstellingen en men beschuldigt rond 1970 de kroaat Tito ervan met verdeel-en-heerspolitiek (afsplitsing van MacedoniŽ en Montenegro en de steeds grotere zelfstandigheid van de provincies binnen ServiŽ) de serviŽrs hun historische positie te onthouden. Dat iedere republiek in de federale organen gelijk stemrecht heeft terwijl serviŽrs meer dan 40% van de totale bevolking uitmaken, geeft voedsel aan deze kritiek. Ongelijke economische ontwikkeling tussen noord en zuid versterkt anderzijds het idee bij slovenen en kroaten dat de andere volkeren op hun kosten leven bij de gratie van federale subsidies. De inefficiŽntie van het overleg dat nodig is om tot besluiten te komen en het benadrukken van de eigen autonomie door alle deelgebieden neemt na de dood van Tito (1980) groteske proporties aan.

Val van het communisme
De Koude Oorlog, bevroren in het Verdrag van Helsinki (1975), lijkt de tweedeling in Europa (liberale kapitalistische democratie aan de ene kant van het IJzeren Gordijn, staatsgeleide planeconomie aan de andere) Ďvreedzaam coŽxisterendí te bestendigen. Ook heeft de toetreding van Griekenland tot de Europese Unie (1981) de kunstmatige scheiding tussen dit land en de rest van de Balkan verder verscherpt. Toch imploderen de vazalstaten onverwacht snel nadat de almacht van de communistische partij in de Sovjet-Unie door Gorbatsjov ter discussie is gesteld. Na een geleidelijke en vreedzame machtsdeling in Polen, de fluwelen revolutie van Praag en de val van de Berlijnse muur (1989) sneuvelen ook de volksrepublieken op de Balkan. Hongarije en Bulgarije wisselen betrekkelijk soepel van regime, maar RoemeniŽ, waar Ceauşescu persoonsverheerlijking en autarkie tot hallucinerende niveaus heeft opgevoerd, en JoegoslaviŽ, waar sinds de dood van Tito het ideologisch vacuŁm door ultranationalisten is gevuld, kennen een veel gewelddadiger omwenteling, om nog maar te zwijgen van de chaos die de val van het inmiddels volledig geÔsoleerde regime in AlbaniŽ teweegbrengt. Griekenland is met name een toevluchtsoord voor teleurgestelde Albanezen die de terreur van de maffia in hun land ontvluchten. Istanboel herneemt zijn positie als de economische pool van de Balkan waarlangs de handel met Bulgarije, RoemeniŽ, MacedoniŽ, AlbaniŽ en zelfs romp-JoegoslaviŽ (ServiŽ en Montenegro) opnieuw zijn weg vindt.

Balkanisering van JoegoslaviŽ
De Ďvondstí mensen bij volkstellingen in de gelegenheid te stellen zich ĎJoegoslaafí te noemen (tot 1960 worden alleen de moslims zo genoemd, later bestaat deze groep uit mensen die expliciet niet tot een van de etnische entiteiten gerekend willen worden) verhindert niet dat het etnisch nationalisme in JoegoslaviŽ uiteindelijk zo ver doorschiet dat de staat uiteenvalt in net zoveel republieken als er in de federatie bestonden. Daarmee is echter het probleem van de minderheden niet kleiner, eerder groter geworden. Die republieken die niet etnisch homogeen zijn, komen op de rand van burgeroorlog te staan (ServiŽ, met name in de twee provincies) of gaan er overheen (eerst KroatiŽ, dan al snel BosniŽ-Herzegovina, uiteindelijk ook Kosovo en MacedoniŽ). Oud-communisten die zich ontpoppen als extreme nationalisten wakkeren het vuur aan door verwijzing naar historische Ďfeitení die de Ďeeuwigheidí van hun natie onderstrepen, of de Ďeeuwenoudeí onderdrukking daarvan. Miloöevićí uitvergroting van de 600-jarige nederlaag van het koninkrijk ServiŽ tegen de Ottomanen in de slag op het Merelveld (niet toevallig in Kosovo gelegen) is in 1989 het startsein, dus zelfs nog voor het uiteenvallen van de federatie, maar het gedweep met de Ustaöi-erfenis in KroatiŽ en de vooroordelen van de slavische MacedoniŽrs over de albanese hebben dezelfde achtergrond. ServiŽrs in KroatiŽ, moslims in BosniŽ en albanezen in Kosovo zijn er het slachtoffer van, waarna zij zelf bewijzen tot vergelijkbare gruweldaden in staat te zijn. Het Haagse JoegoslaviŽ-tribunaal is het noodzakelijke maar trieste slotakkoord op de massamoord in Srebrenica, de vernietiging van Vukovar, de concentratiekampen van Omarska, de systematische verkrachtingen van Prijedor, de moorddadige sluipschutters rond Sarajevo (zie nr. 41) en de deportatie van serviŽrs uit de Krajina en albanezen uit Kosovo.


vorige pagina volgende pagina