Bibliotheken Tentoonstellingen Balkan in kaart

Balkan in kaart

Tentoonstelling van 4 september tot 16 oktober 2003 in de Universiteitsbibliotheek
Samenstelling: Harrie Teunissen en John Steegh


Inleiding

Tentoonstelling

Inhoud begeleidend essay




Begeleidend essay 3

3.  Van religieuze identiteit naar nationale mythe

Ottomaanse en volkscultuur
Verovering van de Balkan door de Ottomanen brengt grote christelijke gemeenschappen onder het bewind van de sultan. Hoewel er groepen zijn die de religie van de nieuwe heersers overnemen (Bosnische moslims, de meeste albanezen, een groot deel van de roma ten zuiden van de Donau, slavische torbeši van Macedonië, bulgaarse pomakken in het Rhodopengebergte), is het Ottomaanse Rijk nauwelijks uit op assimilatie van onderworpen volkeren aan zijn godsdienst en cultuur. Niet alleen ontbreekt het de Ottomanen aan institutionele kaders voor integratie, ook het bergachtige karakter van de Balkan werkt compartimentering van culturen in de hand. De Porte differentieert officieel niet naar taal of etniciteit. Tot eind 19e eeuw noemt haar elite zich ‘Osmanli’, de notie turk te zijn geldt eerder voor onontwikkelde boeren. Voorwaarde voor een hoge functie in het Ottomaanse Rijk is dat men moslim is en Ottomaans turks kent. Veel grootviziers en hoge functionarissen komen uit een albanese of slavische moslim­gemeenschap en ook het devshirme-systeem verhindert, zij het onvrijwillig, het ontstaan van een etnisch homogene bestuurlijke en militaire kaste. Ottomaans turks verschilt in hoge mate van het alledaagse turks, het is een mengeling van turks, perzisch en arabisch. De turkse woordenschat en haar grammatica overheerst weliswaar, zeker in militaire zaken, maar perzische woorden en vormen spelen een grote rol in de literatuur. Het arabisch domineert uiteraard geloofszaken. Het arabische medeklinkerschrift, lastig voor het turks met al zijn klinkerwisselingen, en het toenemend gebruik van een bombastische stijl door de Ottomaanse elite maken Ottomaans turks ontoegankelijk voor de grote meerderheid van de bevolking. De massa leeft volgens de voorschriften en gewoonten van de diverse volksculturen en is eerder verbonden met een bepaalde geloofsgemeenschap dan met de staat en zijn ‘hoge’ cultuur. Daardoor kan de Orthodoxe Kerk eeuwen lang de herinnering levend houden aan haar glorieuze verleden. Iconen en fresco’s beelden heilige vorsten en monniken uit, en de liturgie viert met de regelmaat van de kalender geheiligde verzetsdaden en martelaren, ook die uit de strijd tegen Ottomaanse veroveraars.

Millet-systeem
Het Ottomaanse Rijk is een islamitische staat die zijn onderdanen via millets verdeelt in religieuze groepen. Het millet-systeem zou zijn ontstaan toen sultan Mehmet II, veroveraar van Constantinopel in 1453, een patriarch, een bisschop en een rabbi bij het hof aanstelde als vertegenwoordigers van respectievelijk de orthodoxe, de armeense en de joodse gemeenschap. Moderne onderzoekers menen echter dat de millets voortkomen uit een aanzienlijk latere Ottomaanse systematisering van uiteenlopende regelingen met lokale wereldlijke en religieuze leiders. Hoe dan ook, het systeem kent vanaf de 17e eeuw behalve de moslim-millet, waar de sjaria richtinggevend is, aparte millets voor de andere ‘volkeren van het boek’, die hun eigen regels, belastinginning en hiërarchie houden. De tweederangs onderdanen mogen, althans in theorie, geen wapens dragen en niet paard rijden, wel moeten zij extra belastingen betalen. De Ottomaanse staat overlegt en regelt zaken alleen met gezagsdragers, niet met individuele leden van die gemeenschappen. Elke religieuze gemeenschap verzorgt haar eigen onderwijs. Het hele systeem voorafgaand aan de Tanzimat is gebaseerd op een scheiding tussen de verschillende religieuze gemeenschappen, zelfs tot op het niveau van de kleuren en de kleding die elke groep kan dragen. Daardoor wordt de millet, na familie en geboortestreek, de belangrijkste focus van de groepsidentiteit, niet taal of etniciteit. Voor de orthodoxe bevolking van de Balkan wordt hun millet geleid door de oecumenische patriarch in Istanboel. Tot de oprichting van het Bulgaarse Exarchaat (1870) ontkomen alleen de servische orthodoxen aan griekse controle. Zij kennen eeuwen lang een eigen patriarchaat in Peć, maar na de massale migratie in 1699 van Kosovo naar de Vojvodina is ook hun spirituele centrum buiten Ottomaanse invloed geraakt. Deze ontwikkeling van de orthodoxe millet verklaart waarom phanarioten de griekse hiërarchie kunnen gebruiken om orthodoxe slaven en albanezen, zelfs orthodoxe roma en vlachen (romaans sprekende nomadische herders) ten zuiden van de Donau in kerk en onderwijs te helleniseren. Zo is voor orthodoxe bulgaren de griekse assimilatiedruk duidelijk sterker dan een Ottomaans-turkse.

Secularisering en orthodoxie
De Tanzimat leidt tot een geleidelijke en gedeeltelijke secularisatie van staatsapparaat, rechterlijke macht en onderwijs. Meteen in 1839 decreteert de Porte religieuze gelijkheid voor het gerecht, 1855 schaft ze de hoofdelijke belasting voor niet-moslims af. Christenen, joden en moslims worden nu op gelijke voet toegelaten tot staatsscholen en bestuursapparaat. Theoretisch komen ze ook in aanmerking voor legerdienst, in de praktijk blijven ze vrijgesteld als ze een aparte belasting betalen. Men koerst af op Ottomaans burgerschap, ook voor niet-moslims. Deze politiek stuit wel op hardnekkig verzet van moslims, binnen en buiten de regerende elite. Nu de onderdanen van de sultan in principe gelijk zijn, ontwikkelt zich een meer directe relatie tussen individu en staat. Het millet-systeem, eeuwen lang trouwe steunpilaar van het Ottomaanse Rijk, wordt uitgehold en getransformeerd. Controle van de millet over het leven van haar leden wordt ingeperkt door het ontstaan van seculiere scholen en rechtbanken naast het onderwijs en de rechtspraak binnen de millet. Ondanks verzet van het patriarchaat, wordt in 1862 een nieuw statuut voor de Grieks-orthodoxe millet ingevoerd: metropolieten moeten voortaan de macht delen met de stedelijke burgerij. Onder druk van de grote mogendheden worden bovendien nieuwe millets ingevoerd voor katholieken en protestanten. Doorslaggevend is echter de instelling van het Bulgaarse Exarchaat (1870) en van de Roemeense Orthodoxe Kerk (1885), waardoor het monopolie van het griekse patriarchaat van Istanboel doorbroken wordt. Tegen 1914 bestaan er zeventien verschillende millets. De orthodoxie heeft steeds de gouden tijd dat zij de Balkan domineerde gekoesterd. Maar terwijl de griekse hiërarchie de tradities van Byzantium centraal stelt, gaan orthodoxe bulgaren, serven en roemenen heilige voorgangers uit hun vroegere regionale rijken opwaarderen tegenover de Byzantijnse. Onder westerse invloed wordt het onderwijssysteem van diverse millets gebruikt voor de verbreiding van nationalistische programma’s. Als radicalen bovendien de overhand krijgen op traditionalisten, gaan dergelijke millets deel uitmaken van de nationale bevrijdingsstrijd.

Meerduidige religiositeit
Geschiedschrijving die een eeuwen lange onderdrukking van nationale kerken door de islamitische staat breed uitmeet is zelf een recent product van het zwart-witdenken uit de tijd van de nationale bevrijdingsstrijd. Het millet-systeem kent eerste- en tweederangs gelovigen en leidt tot aparte gemeenschappen, maar stimuleert ook een alledaagse coëxistentie onder de ‘Pax Ottomanica’. Dat joden, christenen en moslims dezelfde éne God aanbidden en allemaal kinderen van Abraham zijn, ondersteunt vreedzaam samenleven. Verhoudingen worden regelmatig zo intiem dat mensen rituelen van elkaars geloof bijwonen of zelfs delen. Dit blijkt duidelijk in Kosovo en Noord-Albanië, waar leden van christelijke clans zijn overgegaan tot de islam. Daar liggen boerendorpen waar vele generaties lang de mannen moslim en de meeste vrouwen christenen zijn. Jongens worden besneden, meisjes gedoopt. Deze praktijk komt voort uit de wens minder belasting te betalen (waarvan de hoogte afhankelijk is van de religie van alleen het gezinshoofd), maar ook uit de theologische opvatting dat Christus en Mohammed broeders zijn. Een ander voorbeeld vormt de Thaçi-clan met zijn drie vertakkingen: een is geheel islamitisch, een volledig katholiek en een is katholiek maar eet geen varkensvlees. Volgens orale overlevering zou dit ontstaan zijn toen rond 1700 van drie broers de oudste overging tot de islam en de tweede en derde katholiek bleven. Uit achting voor zijn oudste broer was de derde wel gestopt met het eten van varkensvlees. Of dit verhaal een fantasievolle rationalisatie achteraf vormt doet er nauwelijks toe. Het illustreert dat bij Noord-albanese stammen de loyaliteit aan de clan sterker is dan religieuze verschillen. Als de clan een feestdag viert, wordt er geen wijn geschonken of varkensvlees geserveerd, maar iedereen, katholiek, orthodox of moslim, drinkt raki. Zulke samenkomsten nodigen uit tot een kennisname van elkaars religieuze opvattingen en rituelen. Dit geeft christelijke clanleden de mogelijkheid om zich, bijvoorbeeld op reis, voor te doen als moslims. Bij gemengde clans is het niet ongewoon om christelijke leden ook islamitische namen te geven, waar zij in de buitenwereld hun voordeel mee kunnen doen. Moslimnamen voor christelijke albanezen zijn in de Albanese Alpen tot ver in de 20ste eeuw een normaal verschijnsel. Ook als het ontstaan is als een vorm van camouflage voor bijzondere omstandigheden; na verloop van generaties koestert men deze traditie zozeer dat zij voortgezet wordt ook als de noodzaak tot bescherming allang verdwenen is. Dubbele namen komen ook tussen verschillende etnische groepen voor. Dat wordt in de hand gewerkt door de meertaligheid van diverse regio’s. Etnische nabootsing vindt men vaak bij beroepen als handelsreizigers en herders, of bij aparte groepen zoals de roma.

Syncretisme
Dubbele religieuze identiteit komt op de Balkan sporadisch voor. Vormen van religieus syncretisme kennen wel eeuwen lang ruime verbreiding. Vooral op het niveau van de volksreligie worden religieuze tradities door christenen en moslims gedeeld. Gemengd islamitisch-christelijke dorpen in Noord-Albanië vieren de dag van Sint-Nicolaas samen. In Kosovo vieren moslims (net als hun christelijke buren) privé de ‘slava’, de dag van hun familieheilige. Etnografische kaarten claimen op grond van dit soort praktijken dat albanezen van Noord-Albanië en Kosovo van oorsprong serviërs zijn (zie nrs. 27-29). Bij andere vormen van syncretisme zijn priesters of sjeiks betrokken. Zo trekken christenen naar de tombes van heilige derwisjen of vragen een sjeik Koranverzen over hen uit te spreken als ze ziek zijn. Moslims bezoeken kerken en vragen de zegen met wijwater of de zalving met heilige olie. Zelfs het doopsel staat bij veel moslims hoog aangeschreven; het zou beschermen tegen geestesziekte of verhinderen dat ze als honden gaan ruiken. In de 18e eeuw klaagt de katholieke aartsbisschop van Skopje dat hij regelmatig door lokale moslims gehaald wordt om hun zieken te genezen, en hun dieren te exorceren. Dat weerhoudt hem er niet van voor te gaan in een merkwaardig syncretistisch feest op een Kosovaarse berg om Maria-Hemelvaart te vieren. In het visitatierapport uit 1681 staat, dat meer dan duizend mensen zich daar verzamelen: ‘Zij blijven daar de hele nacht, met trommels en fluiten, dansend en zingend. Na middernacht begint een gemengde processie – moslims, serviërs en grieken met brandende kaarsen waarvan de lengte overeenkomt met de leeftijd van elke persoon. Zij lopen drie uur lang barrevoets rond de hoogste top; sommige moslimleiders gaan te paard.’ In de ochtend viert de bisschop de mis en preekt tot een grote multireligieuze menigte. Daarna neemt de orthodoxe bisschop van Prizren hem mee om samen te lunchen. Deze cultus kent ongetwijfeld een heidense kern, opmerkelijk is dat die later ook opgenomen is in islamitische en orthodoxe tradities. Eén van de tombes van de legendarische moslimheilige Sarí Saltík zou zich op die berg bevinden, en soefi’s vieren daar de dag van Ali, de schoonzoon van Mohammed. Voor de orthodoxen van Prizren ligt het graf van St.-Pantaleimon op de berg en zijn viering duurt een zomerse nacht. Bij sommige ‘dubbelheiligen’ wordt de islamitische nachtwake van vrijdag op zaterdag zelfs overgenomen door de christelijke nachtwake van zaterdag op zondag; zoals bij het graf van Sveti Naum/Sarí Saltík aan het Meer van Ohrid.

Crypto-christendom
Naast het intieme sociale verkeer tussen moslims en christenen en de vele vormen van syncretisme bestaat er in enkele regio’s van het Ottomaanse Rijk ook crypto-christendom. De meest bekende zijn die van Kreta en Kosovo. Het gaat hier om gemeenschappen die naar buiten toe de islam belijden - men heeft islamitische namen, houdt zich aan de ramadan, bezoekt regelmatig de moskee, mannen zijn besneden, men wordt als moslim begraven, etc. - maar in de afzondering van hun gemeenschap en in hun hart koesteren ze de tradities van het christelijke geloof: zeggen christelijke gebeden, laten hun kinderen dopen, houden zich aan christelijke vasten- en feestdagen, etc. De geschiedenis van de crypto-katholieken in Kosovo van de 17e tot de 20e eeuw is interessant, omdat ze een maatstaf vormt voor de verhoudingen tussen de millets. De gemeenschap is ontstaan tijdens de antikatholieke campagnes van de Ottomaanse overheid als reactie op de steun van katholieke bisschoppen aan Venetiaanse en Oostenrijkse invallen in de regio. Het begint meestal met groepen waar alleen de mannen zich tot de islam bekeren en de jongens gedoopt én besneden worden. Omdat terugkeer naar het christendom voor de islamitische wet een halszaak is, moet men, zeker in de steden, ook thuis op zijn hoede zijn. Waarschijnlijk worden de jongens pas ingewijd als ze oud genoeg zijn om dat geheim te houden. Katholieke rapporten uit de 17e eeuw vermelden herhaaldelijk dat mannen die publiekelijk moslim zijn bisschoppen verzoeken priesters te instrueren hun heimelijk de sacramenten toe te dienen. Met vrouwen in huis die officieel christen zijn is het voor hen niet moeilijk deze families te bezoeken en dan ook het manvolk te bedienen. Rome en provinciale synodes verzetten zich echter tegen het toedienen van sacramenten aan wie officieel moslim is. Hetzelfde geldt voor personen die de islam niet belijden, maar verder ‘op zijn turks’ leven. Maar zolang de lokale clerus zich rekkelijk opstelt is er weinig aan de hand. Een pauselijke encycliek medio 18e eeuw verandert de situatie. Daar waar hen voortaan de sacramenten geweigerd wordt, bekeren crypto-christenen zich helemaal tot de islam. Een bisschop schrijft dat de kerk meer wordt gehaat en vervolgd door deze nieuwe dan door de oorspronkelijke moslims. Na het Tanzimat-decreet, dat religieuze gelijkheid voor de wet belooft gaan in 1843 crypto-christenen uit nabijgelegen dorpen naar katholieke kerken in Gjakova en Peć en belijden daar publiekelijk hun katholieke geloof. Vroeger zette men zijn leven op het spel, nu worden ze na zes weken gevangenis en een boete vrijgelaten. Na de Krimoorlog lijkt de vervolging helemaal voorbij. Dat verandert echter weer na de Eerste Balkanoorlog, als Kosovo onder Servisch en Montenegrijns bewind komt. Crypto-katholieken worden nu onder druk gezet om tot de orthodoxie over te gaan. Er zijn berichten dat sommigen liever verklaren moslims te zijn om naar Turkije te kunnen emigreren. In de jaren dertig zet de bisschop van Skopje hen onder druk om een volledig katholiek leven te leiden. Maar de crypto-praktijk blijkt hardnekkig, ze bestaat nog steeds, wellicht doordat er, gestimuleerd door de banden met moslimfamilies, inmiddels toch een bi-confessionaliteit is ontstaan.

Ontstaan van nationalismen
Het Byzantijnse noch het Ottomaanse Rijk functioneert op etnische grondslag. Eeuwen lang geeft bekering en acculturatie toegang tot topcarrières voor mannen van uiteenlopende herkomst. Onverschilligheid voor nationalistische categorieën kenmerkt ook een gemeenschap waarvan de identiteit religieus gedefinieerd is. Taalverschillen zijn voor ‘grieken’ en ‘bulgaren’ minder belangrijk dan gedeeld orthodox geloof. Zo worden in 1905 kinderen ondervraagd over de ruïne van de citadel van tsaar Samuel die de stad Ohrid en haar meer domineert. Op de vraag: ‘Wie heeft dit gebouwd?’, antwoorden kinderen uit een nabijgelegen bergdorp zonder pope of onderwijzer: ‘De vrije mannen.’ ‘En wie waren die vrije mannen?’ ‘Onze grootvaders.’ ‘Ja, maar waren zij serviërs of bulgaren, grieken of turken?’ ‘Zij waren geen turken, zij waren christenen.’ Bij analfabeten uit de bergen vindt men nog de oude geesteshouding die voorafgaat aan elders geaccepteerde nationalistische opvattingen. Door ‘nationale wedergeboorten’ komen de veelvolkerenstaat van de Habsburgers en het multireligieuze rijk van de Ottomanen onder druk te staan. Radicaliserende nationalistische bewegingen leiden tot vijandigheid tussen volkeren. Dit noopt tot een onderscheid tussen nationalismen en daaruit voortvloeiende conflicten. Nationalisme staat voor een ideologische beweging die een volk wil verenigen op een gestelde gemeenschappelijke cultuur of etniciteit. Nationalisten heb je in soorten: van modernisten tot reactionairen, van bloed-en-bodemfanatici tot rustige rationalisten. Soms staan rivaliserende groepen tegenover elkaar die allemaal claimen de belangen en verlangens van hetzelfde volk te vertegenwoordigen. Hoewel er gemeenschappen zijn die vanaf de oudheid min of meer een apart ‘volk’ vormen, wordt nationalisme meestal als een modern fenomeen beschouwd, rond 1800 in West-Europa ontstaan. Het verschijnt ten tonele met de moderne staat en haar economie die massale participatie en volksonderwijs veronderstelt. Sommigen zien het nationalisme ontstaan tijdens de Franse Revolutie als onderdanen vrije burgers worden, verzekerd van hun rechten. De oorlogen van Napoleon tonen de kracht van de volkssoevereiniteit als een idee dat massa’s kan mobiliseren en een nieuwe politieke legitimiteit fundeert. Anderen zien het nationalisme juist ontstaan als reactie op de dreiging die uitgaat van dat revolutionaire Frankrijk. Onder duits- en italiaanstaligen, kwetsbaar in hun lappendekens van staten en staatjes, wordt ‘de natie’ primair gefundeerd op hun originele taal en cultuur. Het Franse natiemodel gaat uit van de gelijke rechten van alle burgers binnen een bepaald territoir; het duitse natiemodel is gebaseerd op gemeenschappelijke etnische tradities die bestaande grenzen overschrijden.

Nationalisme en orthodoxie
Intellectuele phanarioten bepleiten aanvankelijk een synthese van Europese Verlichting en oosterse orthodoxie tegenover de achterlijkheid van de Balkan. Zij willen de vergeten volkeren van de zuidoostelijke periferie integreren in de historische bestemming van Europa. De seculiere kijk op de geschiedenis verdringt echter de orthodoxe viering van een geheiligde tijd. De literaire elite maakt een post-Ottomaanse wereld op de Balkan voorstelbaar en effent de weg voor modern nationalisme. Tegen het einde van de 18e eeuw is hun droom van een politieke emancipatie nog gebaseerd op verlichte despoten als Catharina de Grote en Jozef II. De Franse Revolutie en Napoleons invasie van Ottomaans Egypte in 1798 radicaliseert het politieke denken op de Balkan. Dat blijkt duidelijk uit Rigas Velestinli’s ontwerpgrondwet voor een Helleense republiek waar het volk soeverein is, onafhankelijk van taal en religie (zie nr. 20). Het egalitarisme en deïsme van de radicalen beangstigt echter moslims en christenen. Voor de orthodoxe hiërarchie is het idee van politieke vrijheid zelfs duivels geïnspireerd. Het lokt de gelovigen weg van trouw aan de sultan. Aanhangers van het romantisch nationalisme bestrijden de oude opvatting dat het grieks - zoals het latijn in het westen - de weg tot geleerdheid wijst. Zij herwaarderen de culturele betekenis van volkstalen en boerentradities. Eerste helft 19e eeuw gaan mensen die bulgaars, servisch of roemeens spreken zich definiëren in termen van hun culturele gemeenschap. Op de Balkan krijgt het nationalisme als massabeweging onvermijdelijk een boerenkarakter. Het gaat dus eerder over recht op land en draaglijke belastingen dan over politieke begrippen als natie. Lang was het dorp hun vaderland, de stad werd gedomineerd door Ottomaanse bestuurders en vreemde handelaren. In de romantische nationale ideologie krijgen de boeren een nieuwe status. Zij belichamen voortaan de morele essentie van de natie. Liberale intellectuelen vallen de serviele clerus regelmatig aan in hun strijd voor de eigen natie, maar het zijn boerenopstanden die de creatie van nieuwe staten mogelijk maken, en deze boeren blijven sterk verbonden met de kerk. Daardoor blijft het orthodoxe christendom een belangrijke politieke factor, al verandert zijn karakter ingrijpend. In diverse staten is de orthodoxe religie voortaan toetssteen van nationale identiteit.

De mythe van het Merelveld
Voor nationalisten is geschiedenis van groot gewicht. Zolang het erom gaat een gelijkwaardig plekje te verwerven in het concert der naties, is er weinig aan de hand, maar zodra men in naam van de geschiedenis een bepaald gebied exclusief opeist wordt het problematisch. Dat geldt des te sterker wanneer, zoals ook op de Balkan regelmatig voorkomt, verschillende naties hetzelfde grondgebied claimen op basis van vroegere rijken op dat territoir, waarvan ze de bevolking als hun voorouders en de leiders als hun helden (of verraders) beschouwen. Hét voorbeeld van een dergelijke claim is de historische mythe van de Slag op het Merelveld. De servische verhalen over deze slag in 1389 zijn mythisch, niet omdat ze complete verzinsels zijn, maar omdat ze een verdichting vormen van halve historische waarheden. Zijn plot, die in 18e-eeuwse geschiedschrijving ontstaat door selectieve bewerking van middeleeuwse liederen en heiligenlevens, krijgt eind 19e eeuw een Groot-Servische wending als ze verbonden wordt met de cultus van het Merelveld. Met terugwerkende kracht op het verleden geprojecteerd en verbreid door kerken en scholen, dichters en kranten, creëert deze geschiedenis de populaire overtuiging van eeuwenoude etnische haat. Daar wordt de legendarische slag in 1389, waar het Servische leger van prins Lazar het onderspit delft tegen het Turkse leger van sultan Murad II, voorgesteld als de kruisweg van de Servische natie die zich opoffert om Europa te vrijwaren van het islamitische juk. Voor de keuze gesteld tussen een aards en een hemels rijk spreekt Lazar zijn mannen toe: ‘Het is beter te sterven in de strijd dan in schande te leven  ... we willen de strijd van de martelaren accepteren en eeuwig leven in de hemel.’ Uit de schaarse bronnen blijkt evenwel dat die slag niet gaat tussen Serviërs en Turken, maar dat twee feodale legers elkaar bevechten. Aan de kant van Lazar staan behalve de servische troepen ook bosnische, hongaarse, albanese, walachse, bulgaarse en ‘frankische’ (West-Europese) strijders. Murads leger bestaat voor een belangrijk deel uit troepen van zijn servische en bulgaarse vazallen, griekse boogschutters, albanese en Genuese huurlingen. Ook het beeld dat de slag korte metten maakt met een Groot-Servisch Rijk blijkt onhoudbaar. Het grote rijk van tsaar Dušan, dat nog geen kwart eeuw bestaat, valt meteen na diens dood in 1355 uiteen. Zijn opvolger heeft slechts nominaal gezag over de despotaten. De strijd van de sultans met servische en bulgaarse vorsten duurt van 1371 tot 1459. Diverse veldslagen zijn militair belangrijker dan die op het Merelveld, maar lenen zich minder voor mythologisering omdat de verdeeldheid onder servische vorsten nog groter is. En dan wordt het lastig om een traumatische nederlaag te transformeren in een morele overwinning.

De Joegoslavische grondwet van 1974
Alle communistische staten ondergaan na 1945 grote sociale en economische veranderingen. Het meest opvallend is de massale trek naar de stad. De sterke teruggang van het aandeel van boeren gaat gepaard met een enorme stijging van mannen en vrouwen in industrie en dienstverlening. In de eerste decennia dwingen de collectivisering van industrie en grondbezit, het verdringen van oude notabelen en de ‘volksdemokratisering’ een gelijkschakeling af die niet bevorderlijk is voor de cultuur van nationale minderheden. De ontwikkeling van Joegoslavië als veelvolkerenstaat is extra interessant. De bevrijdingsstrijd tegen de Duitse bezetting is gevoerd onder het motto ‘Broederschap en Eenheid’. Tito stelt in 1948 dat de Federatieve Volksrepubliek de nationale kwestie heeft opgelost tot ‘volledige tevredenheid van onze naties’. Maar het ‘Joegoslavische socialistische patriotisme’ ontwikkelt zich vooral in de leidende kringen van partij, staat en leger. In de jaren zestig raakt het echter in het defensief, de belangen van de naties en nationaliteiten leiden opnieuw tot politieke conflicten. Rond 1970 gaat het ‘polycentrisch nationalisme’ deel uitmaken van de staatsideologie en in 1974 komt een nieuwe grondwet tot stand. Deze omvangrijke constitutie is gebaseerd op drie uiteenlopende interpretaties van het begrip ‘volk’: 1) Alle Joegoslaven hebben als staatsburgers gelijke rechten; 2) culturele en politieke rechten van elke etnische gemeenschap worden gewaarborgd; 3) het proletariaat oefent zijn ‘dictatuur’ uit in de vorm van zelfbestuur door arbeidersraden. De etnische gemeenschappen zijn onderverdeeld in naties en nationaliteiten. De zes naties - slovenen, kroaten, bosniërs, serven, montenegrijnen en macedoniërs - zijn constituerend voor de federatie, want hun ‘vaderland’ bevindt zich in Joegoslavië. Nationaliteiten krijgen autonome provincies, want die hebben een eigen staat buiten Joegoslavië (hongaren in Vojvodina, albanezen in Kosovo). Wanneer leden van naties als een compacte massa vóórkomen buiten de grenzen van hun republiek, zoals serviërs in Kroatië en Bosnië, gelden ze daar ook als mede constituerend. Maar leden van nationaliteiten die als collectiviteit buiten hun autonome provincie leven, zijn daar geen constituerend volk, zoals de albanezen in Macedonië. Naties hebben volgens de grondwet het recht op zelfbeschikking inclusief afscheiding, nationaliteiten echter niet. In het federale bestuur hebben republieken twaalf vertegenwoordigers, tegen autonome provincies acht, acht afgevaardigden volstaan om een wetsvoortsel in te dienen óf te blokkeren. De republiek Servië kan niet zonder toestemming van de parlementen in Kosovo en Vojvodina tussenbeide komen in hun interne aangelegenheden. Kosovo krijgt zijn eigen ‘nationale’ bank, hooggerechtshof, hymne en vlag (identiek aan die van Albanië). Na 1974 wordt de universiteit gealbaniseerd en groeit als kool. Albanese geesteswetenschappen zijn bijzonder populair, slechts een kleine minderheid kiest exact. De massale culturele inhaalslag is ook een middel om de werkloosheid te camoufleren; nationalistische studenten zonder toekomst nemen het voortouw in de albanese explosie van 1981. Vanaf 1986 holt de Servisch nationale mobilisering de autonomie van Kosovo uit en serviseert zijn bestuur.

Mythische geografie
De balkanisering van Joegoslavië met zijn burgeroorlogen en zuiveringen wordt gevoed door, en geeft zelf nieuw voedsel aan, het gevoel slachtoffer te zijn van buurstaten en verre machten. Elke natie en etnische groep in het voormalige Joegoslavië koestert haar eigen catalogus van gruweldaden, vernietigingen en onrecht, maar geen ervan lijkt het op te brengen ook te treuren om de slachtoffers bij de ander. Het Servisch nationalisme is het meest paranoïde in dit opzicht, maar het is zeker niet uniek. De geografische dimensie van de mythe van het Servische volk wordt in varianten verbreid tijdens Milošević en Karadjić. Volksliederen markeren de grenzen van Servië met botten van vermoorde serviërs en archeologen bepalen het servisch-etnisch stamgebied tussen de rivieren Morava en Kupa op basis van ‘hun’ middeleeuwse grafvelden. Door de mythische beleving van de tijd worden strijders van nu bijgestaan door hun voorvaderen en helden die hen eraan herinneren wie ze zijn en waarvoor ze vechten. Zo wordt bij de zeshonderdste verjaardag van de Slag op het Merelveld verklaard: ‘Kosovo is Servië en dit feit is niet afhankelijk van albanese geboortecijfers of servische sterftecijfers. Er ligt hier zoveel servisch bloed en er zijn zo veel servische heiligdommen dat het nog servisch land is als er niet één serviër meer woont.’ De schepping van een zuivere natiestaat wordt gezien als een terugkeer naar de tijd vóór de komst van ‘de Turken’die volkeren en culturen mengden. Gelukkig zijn er gebieden waar serviërs hun oorspronkelijke door God gegeven identiteit behouden. Die nationale identiteit wordt eerder bewaard door serviërs die in de bergen grenzen bewaken, dan door wie zich vestigt in multi-etnische steden. In de mythe is het servische land ook een organisch geheel. De Drina-rivier wordt niet beschouwd als een natuurlijke grens, maar als de ruggengraat van het volk. Het afsnijden van Bosnische serviërs van hun volksgenoten ten oosten van die rivier wordt zo een pijnlijke splijting van het Servisch-nationale lichaam. De strijdende zonen van ‘Moeder Servië’ (Groot-Servië) moeten de eer beschermen van haar ‘dochters’: het actuele Servië (inclusief Kosovo), Montenegro, de Krajina en de Republika Srbska. Het boek ‘De verkrachting van Servië’ (Belgrado, 1992) roept op tot bloedwraak. Bosnië- Herzegovina zou in zijn geschiedenis nog het meest geschonden zijn. Zijn huid lijkt een luipaardvel, de patronen op zijn etnische kaart zijn in feite ‘wonden op het lichaam van het etnisch-servische bestaan.’ En het Bosnisch-servische tijdschrift Javnost viert de ‘bevrijding van Srebrenica’ door het leger van generaal Mladić als ‘het zuiveren van een vlek op de kaart’.

Balkan, deel van Europa
Het extreme geweld op de Balkan zou voortkomen uit de barbaarse cultuur van haar bergstammen of wortelen in duistere lagen van haar collectief onbewuste. Archaïsche tradities en irrationele schimmen spelen zeker een rol in de conflicten van het laatste decennium. Zij voeden met name het bloedige nationalisme van paramilitaire eenheden, die hun leden vaak rekruteren onder hooligans en criminelen. Zij spelen ook in op het onbehagen in steden-in-verval en de vlucht voor een modernisering die geen perspectief biedt. Op een ‘hoger’ politiek en militair niveau wordt irrationeel geweld echter functioneel ingezet om een staat met een homogene bevolking te realiseren. In die zin zijn etnische zuiveringen aberraties van het romantische ideaal van de natiestaat zoals die zich ook elders in Europa hebben voorgedaan. De Europese Unie is juist voortgekomen uit het besef het extreem-nationalisme dat twee wereldoorlogen heeft ontketend te moéten overwinnen. Op 16 april 2003 tekenen acht voormalige oostbloklanden, Cyprus en Malta de akkoorden waarmee ze vanaf 1 mei 2004 lid zijn van de EU. Drie kandidaten, die nog moeten wachten - Roemenië, Bulgarije en Turkije - zijn ook genood voor het feest in Athene. Afwezig zijn echter de landen van de westelijke Balkan: Kroatië, Bosnië, Servië-Montenegro, Albanië en Macedonië. Over enkele jaren worden ze aan alle kanten omringd door EU-landen. Kroatië lijkt nog wel mee te kunnen liften met Roemenië en Bulgarije, die waarschijnlijk in 2007 toetreden. De andere vier kunnen echter op eigen kracht de aansluiting niet vinden. Grote industrieën die onder het communisme werden gebouwd, zijn op sterven na dood, maar er komt nauwelijks iets voor in de plaats. In Servië-Montenegro daalt de levensstandaard, in Macedonië dreigt politieke instabiliteit, in Bosnië neemt de economische groei weer af door de terugval in hulp, in Albanië groeit de economie wel, maar verder is het nog een ontwikkelingsland. De EU is aanwezig als vredesbewaarder en Brussel is een belangrijke geldschieter. Omvangrijke begrotingssteun maskeert vaak de economische achteruitgang. Vandaar het pleidooi van Gerald Knaus, directeur van het European Stability Initiative in Berlijn, hulp te bieden bij de omvorming van de economie: ‘We moeten af van het idee dat de Balkan zo bijzonder is. Vergelijk het met Griekenland, Portugal en Spanje een paar decennia geleden. De EU heeft inmiddels een heel instrumentarium om achtergebleven regio’s te helpen. Daarmee kan ze ook hier aan de slag.’ Dan moet West-Europa wel loskomen van zijn onverschilligheid voor een regio die normaliter alleen in tijden van terreur media-aandacht krijgt. Maar om nieuwe crises te voorkomen is ook op de Balkan een andere omgang met de slagvelden van weleer gewenst. Alleen als de doden rust krijgen, komt de weg vrij voor een nieuwe identiteit.


Harrie Teunissen / John Steegh

(Met dank aan Simon Anneeze, Paul van den Brink, Léon Buskens, Dušanka Corić, Dienst Geografie van de Koninklijke Landmacht, Alexander de Groot, Jan-Paul Hinrichs, Marten Hofstede, Peter Horree, Jenda Horák, Aureli Kenessey de Kenese, Huib Leeuwenberg, Koos Metselaar, Arjan Meurs, Besiana Rançi, Karin Scheper, Jan Schmidt, Rob Schoonwater, Arthur Steegh, Daniël Stork, Koen Stork, Hans Tisseur, Ruben Verhasselt, Erik Visscher, D. De Vries, Hans en Loes van Waning, Jan Just Witkam, en het Institute for Balkan Studies in Thessaloniki.)


vorige pagina volgende pagina