Bibliotheken Tentoonstellingen Balkan in kaart

Balkan in kaart

Uitgebreid commentaar kaart 3

3. Lt-Colonel M. Botzaris. G.Q.G. de líArmťe Hellťnique, Etat-Major Avant 2e Bureau (section des affaires politiques): Carte Ethnographique de lí…pire du Nord en 1913,
Thessaloniki 1919. Schaal 1 : 200.000. 101,5 x 71,5 cm.                       ( W.2a.7)

∂ Deze Griekse etnografische kaart van Noord-Epirus is gepubliceerd in 1919 door de afdeling politieke zaken van het Ministerie van Oorlog van Griekenland. Lt-Colonel M. Botzaris stelt hier vast dat in 1913 in dit door zowel AlbaniŽ als Griekenland geclaimde gebied 51 % van de bevolking hellenen zijn en 49 % albanezen. Als men de vrijwel exclusief albanese zones boven de blauwe lijn afzondert, worden de percentages zelfs 58 en 42. De kaart geeft bovendien met kleursymbolen een gedetailleerd beeld van de aanwezigheid van helleense en/of albanese elementen in elke stad en in elk dorp. Het dominant helleense gebied is opvallend groter dan op de oudere progriekse etnografische kaarten van Kiepert uit 1876 en Weigand uit 1895 wordt aangegeven. Onduidelijk is welke criteria er precies zijn gehanteerd om de nationale identiteit vast te stellen. De tekstbijlage geeft hierover geen uitsluitsel. De religie lijkt belangrijker te zijn dan de taal. Maar hier stuiten we op hetzelfde probleem als bij etnografische kaarten van MacedoniŽ (vergelijk de nrs. 26, 27, 28 en 29). Tot in de 19e eeuw worden orthodoxen vrijwel overal op de Balkan nog als grieken getypeerd. De Grieks-orthodoxe ritus is in deze regio ook verbreid onder groepen die albanees als moedertaal hanteren, en onder Grieks-orthodoxen treft men veel lieden die zich identificeren met de nationale albanese zaak. Rond 1900 hanteren veel Zuid-albanezen het grieks als commerciŽle taal; het omgekeerde komt minder voor. Collectieve identiteiten blijken zelden eendimensionaal.

De kaart beweert de situatie in Noord-Epirus weer te geven van 1913, maar hij verschijnt in 1919; een eerste uitgave is overigens wel uit 1913. De kaart representeert daarmee een tijdsgewricht waarin de grenzen van de streek hoogst omstreden zijn. De Albanese staat wordt weliswaar in 1912 uitgeroepen en in 1913 internationaal erkend, maar zijn zelfstandig bestaan is voorlopig meer academisch dan werkelijk. Als grenzen worden getrokken op de kaart, zijn ze nog niet bepaald op de grond. In 1913 staan Griekse troepen nog in Zuid-AlbaniŽ tot de met stippen onderbroken rode lijn. De aanspraken van de voorlopige Albanese regering omvatten echter niet alleen deze regio, maar heel de voormalige Ottomaanse provincie van IoŠnnina (Janja), tot en met Preveza (vgl. nr. 32). De bevolking van heel Epirus zou reeds eeuwen albanees zijn; onder andere Lejeanís etnografische kaart van Europees Turkije uit 1861 toont hun meerderheid. Deze kaart geeft daarentegen zelfs voor Noord-Epirus een omgekeerd beeld te zien.
Vanwege de tegenstrijdige claims stelt de Conferentie van Londen een internationale commissie in om de grens van KorcŽ/Korytsa naar de Adriatische Zee vast te stellen. De onderbroken rode lijn in het zuidoosten geeft de afbakening tussen AlbaniŽ en Griekenland aan zoals die in december 1913 in Florence wordt vastgelegd. Griekenland verliest de steden KorcŽ, GjirokastŽr en Saranda. Het Griekse leger trekt zich terug uit dit gebied maar griekse guerrillaís niet. De albanese school in KorcŽ blijft dicht, omdat in maart 1914 Korytsa de zetel wordt van een aparte Griekse regering voor Noord-Epirus. Dit avontuur verloopt na korte tijd, en de Eerste Wereldoorlog schudt de geopolitieke kaarten opnieuw. De Entente (Groot- BrittanniŽ, Frankrijk en Rusland) biedt Griekenland namelijk heimelijk Zuid-AlbaniŽ tot de Shkumbirivier aan, ťn later ook de hoofdzakelijk griekse stad Smyrna (Izmir in Klein-AziŽ) en haar achterland, als het de kant van de Geallieerden kiest. Griekse troepen bezetten eind 1914 opnieuw Noord-Epirus, nu zelfs tot Berat, ook al blijven ze officieel neutraal tot 1917. ItaliŽ krijgt andere gebieden toebedeeld; in 1916 is AlbaniŽ volledig gefragmenteerd. Als Franse troepen van Thessaloniki naar KorcŽ trekken, ontstaat daar tegen 1917 een kortstondige Albanese regering. Griekenland zet echter zijn guerrilla-activiteiten in Noord-Epirus voort tot het door Italiaanse troepen wordt verdreven. GjirokastŽr wordt nu het Ďonafhankelijkeí centrum van Zuid-AlbaniŽ onder Italiaanse bescherming. Op de vredesconferentie van Parijs brengt Griekenland opnieuw zijn claims naar voren. De heruitgave van 1919 van de kaart uit 1913 past in dit kader. Voor de Griekse regering zijn echter de aanspraken op Smyrna uiteindelijk belangrijker dan die op Noord-Epirus; vandaar dat dit gebied na de internationale erkenning van AlbaniŽ in 1921 toevalt aan de regering in Tirana. [Harrie Teunissen]


vorige pagina volgende pagina