Bibliotheken Tentoonstellingen Balkan in kaart

Balkan in kaart

Uitgebreid commentaar kaart 6

6. Odhise Grillo. Po ku je, Adem Jashari! (ĎWaar ben je, Adem Jashari?í) Tirana 1999. 29,5 x 42 cm.                                      

∂ ĎWaar ben je, Adem Jashari?í is een van de boekjes over Albanese geschiedenis die Odhise Grillo geschreven heeft en die door Vehap Kokalari geÔllustreerd zijn. Het is bestemd voor de schoolgaande jeugd van 10 tot 13 jaar. Het gaat over Adem Jashari (1945-1998), leider van het U«K in de Dreniča-streek in Centraal Kosovo. De gebeurtenissen die de achtergrond van dit verhaal vormen beginnen op 28 november 1997, de nationale feestdag van AlbaniŽ. Op die dag roepen enkele strijders van het Kosovaars Bevrijdingsleger, op de begrafenis van een onderwijzer die slachtoffer is geworden van een vuurgevecht tussen Kosovaren en de Servische politie, het gebied ten westen van Priötina uit tot ĎBevrijd territorium van Dreničaí. Duizenden deelnemers aan de begrafenis juichen de oproep toe, en het gebied wordt afgezet met barricades zodat Servische voertuigen niet kunnen passeren. Hiermee begint een nieuwe fase in de strijd van het U«K tegen de Servische Ďbezettingsmachtí. Het Kosovaars Bevrijdingsleger heeft zich tot die tijd verborgen in het hooggebergte dat de grens vormt met AlbaniŽ en MacedoniŽ. Met de Ďbevrijdingí van enkele dorpen in het laagland bij de Dreniča-rivier krijgt het U«K een basis midden in Kosovo. De Servische regering, die het U«K-optreden heeft geminimaliseerd als Ďhit and runí- aanslagen, ziet zich opeens geconfronteerd met een guerrillaoorlog, waar strijders schuilgaan onder de bevolking. Servische politie en veiligheids≠troepen gaan nu over tot represailles met zware wapens. Eind februari worden de dorpen in de Dreniča-streek omsingeld en vervolgens uitgekamd. Zoín 80 Kosovaren laten hier het leven, waarvan 22 leden van de familie Jashari; ook de U«K-leider Adem Jashari wordt gedood. De nieuwe fase in de strijd van het U«K vormt de achtergrond van ĎWaar ben je, Adem Jashari?í In dit jeugdverhaal over het heldhaftige leven en sterven van Adem Jashari komt zijn dochter, de enige overlevende, aan het woord. Ze vertelt over haar vaders jeugd; hoe hij is geboren op 28 november 1945, de dag waarop in 1912 de onafhankelijkheid van AlbaniŽ werd uitgeroepen. Zo iemand moet zich wel met hart en ziel wijden aan de Albanese zaak. Ze verhaalt dat haar vader elke ochtend het volkslied zong en hoe hij anderen leerde zonder angst een geweer te gebruiken. Tot slot memoreert zij zijn 50 uur durende ongelijke strijd tegen Servische tanks.

Adem Jashari is dť U«K-leider die, opererend onder de naam Skender, aanstuurt op Ďde vereniging, desnoods gewapenderhand, van alle albanese gebieden in ServiŽ, Montenegro en MacedoniŽ tot ťťn Groot-AlbaniŽí. Dat klopt met de getoonde illustratie in het boekje, waar de held voor de Albanese vlag en voor een kaart van Groot-AlbaniŽ staat (zie ook nr. 5). De gewapende strijd wordt populair door het uitblijven van successen voor het geweldloze verzet en door het Dayton-vredesakkoord van eind 1995. Het jarenlange geweldloze verzet van de albanese meerderheid en de inrichting van een parallelle Kosovaarse staat, hebben de Servische repressie niet verminderd, integendeel. Rugova rekent er echter op dat de internationale gemeenschap hen zal belonen door de Serven te dwingen in te stemmen met een zelfstandige republiek binnen de Joegoslavische federatie. Als de internationale gemeenschap terughoudend blijft reageren, dringt de albanese diaspora, die het merendeel van de financiŽn levert, aan op hardere acties. In dit debat speelt Dayton een katalyserende rol. Dat de serven binnen BosniŽ een eigen republiek krijgen en dat zij dit te danken hebben aan hun militair geweld doet bij de albanezen de vraag rijzen of hun geweldloos verzet niet een verkeerde strategie is. Zouden de albanezen in Kosovo, die 80% van zijn bevolking uitmaken, de internationale dwang niet kunnen aanwenden voor hun bevrijdingsstrijd? Na Dayton neemt het aantal aanslagen op servische doelen toe; vanaf voorjaar 1997 worden deze opgeŽist door het U«K. Met financiŽle steun van albanese ballingen en uit islamitische landen weet het U«K in 1997 in AlbaniŽ de hand te leggen op wapens die vrijkomen uit beroofde legerdepots. Miloöević wordt in ServiŽ onder druk gezet om hardhandig in te grijpen voor er nog meer Servische politiemannen omkomen, maar hij deinst nog terug voor de internationale reacties. Het Kosovaars Bevrijdingsleger krijgt ook de beschikking over handgranaten en lichte antitankwapens uit BosniŽ. Op 28 november 1997, de nationale feestdag, komt de guerrillastrijd in de nieuwe fase van de Ďbevrijde territoriaí. U«K-leiders zoals Adem Jashari beseffen dat hun actie Ďvoor God en Kosovaí een Servische reactie zal uitlokken die leidt tot een ongelijke en bloedige strijd. Men hoopt en verwacht echter dat de publieke verontwaardiging over de etnische zuiveringen zal leiden tot een internationale interventie. Het Westen raakt wel gealarmeerd, maar voor een NAVO-actie is het maart 1998 nog te vroeg. [Harrie Teunissen]


vorige pagina volgende pagina