Bibliotheken Tentoonstellingen Denken over duivels

Denken over duivels
Vroegmoderne demonologie in de Leidse Universiteitsbibliotheek

9 februari – 11 maart 2006

Jan Frans van Dijkhuizen


Inleiding
Het beruchte Malleus Maleficarum
De Jezuïet Martin Del Rio(1551-1608)
De Engels-Schotse koning James VI/I (1566-1625)
William Perkins (1558-1602)
Jacob Vallick
Dat er duidelijke grenzen zijn aan de macht van de duivel
In zijn tractaat Compendium Maleficarum (1608)
De Nederlandse arts Johann Weyer (1515-1588)
De betooverde wereld (1691)

 


Item 1
De Jezuïet Martin Del Rio (1551-1608) was een zeer erudiet geleerde die op zijn negentiende al een drie banden tellend commentaar op het werk van de Romeinse auteur Seneca (54 BCE – 39 CE) had geschreven, en 9 talen beheerste. Hij studeerde theologie aan belangrijke katholieke universiteiten, zoals Leuven, Graz, Salamanca en Douai. Een van de vragen die Del Rio in zijn Disquisitionum magicarum (1608) onderzoekt, is of de duivel in staat is tot het verrichten van wonderen. Hij concludeert dat de duivel weliswaar tot meer in staat is dan mensen, maar dat hij nooit aan de wetten van de natuur kan ontsnappen; dat kan immers alleen God. Voor deze categorie van ogenschijnlijke wonderen gebruikt hij de term præter naturam: wel voorbij, maar niet boven de natuur.

 

Item 2
Ook voor de katholieke priester Nicholas Rémy (1534-1600) vormden hekserij en magie een aanleiding om na te denken over de aard van wonderen. In zijn Daemonolatrei (1595) beargumenteert Rémy bijvoorbeeld dat de duivel weliswaar de toekomst kan voorspellen, maar niet omdat hij werkelijk in de toekomst kan kijken. Integendeel: omdat hij al sinds het begin der tijden bestaat, en over een uitstekend geheugen beschikt, kan de duivel heel aardig speculeren over de toekomst. Zijn ‘voorspellingen’ komen vaak uit omdat hij de patronen van de geschiedenis goed kent, niet omdat hij ècht kan voorspellen. Rémy was zelf betrokken bij rechtszaken tegen heksen; op de titelpagina van de Daemonolatrei is Leviticus 20:27 te lezen, een van de bijbelteksten waar heksenvervolgers zich vaak op beriepen:’ Vir sive mulier, in quibus Pythonicus vel divinationis fuerit spiritus, morte moriatur’ (‘Een man of een vrouw die geesten of schimmen van doden laat spreken, moet ter dood gebracht worden’).

 

Item 3 en 4
De Fransman Jean Bodin (1520-1596) is niet alleen de auteur van het hekserijtraktaat La démonomanie des sorciers (1581), maar ook bekend als politiek denker. U ziet hier de titelpagina’s van de Démonomanie en van Bodins bekendste politiek-filosofische werk, Les six livres de la République (1577). Voor historici leek Bodin lange tijd een gespleten figuur: een groot politiek filosoof die tegelijkertijd behept was met een onwrikbaar geloof in hekserij, en de bestrijding ervan als een belangrijke overheidstaak zag. De laatste tijd zijn echter de verbanden tussen Bodins ideeën over hekserij enerzijds en zijn politieke belangstelling anderzijds benadrukt. Voor Bodin was hekserij een politiek geladen begrip: een daad van wanorde en anarchie die daarom indirect de betekenis van orde en (koninklijk) gezag onderstreepte.

 

 
vorige pagina volgende pagina