Bibliotheken Tentoonstellingen Pi

Ludolph van Ceulen
en de berekening van het getal PI

Inleiding

1.  De levensloop van Ludolph van Ceulen
2.  De vroege geschriften van Van Ceulen
3.  De grote hoofdwerken
4.  Werken van tijdgenoten
5.  Ludolph van Ceulens grafsteen


1. De levensloop van Ludolph van Ceulen

Ludolph van Ceulen werd, zoals hij op verschillende titelpagina's van zijn werken vermeldt, geboren te Hildesheim (Duitsland), volgens Meursius in 1539 en volgens de tekst op de grafsteen op 28 januari 1540. Als men in die tijd in Hildesheim de Maria-Boodschapstijl, zoals bij ons te Delft, of de paasstijl, zoals bij ons het Hof van Holland, gebruikte, waarbij de jaarwisseling niet op 1 januari, maar op genoemde feestdagen plaatsvond, dan moet 1540 het juiste geboortejaar zijn. Zijn ouders waren de koopman Gert von Collen en Hestera de Roode, wat door modern archiefonderzoek bevestigd kon worden. Ook Ludolph ondertekent actes met de naam Ludolph van Collen, opdrachten in boekjes met Ludolph van Colen en laat zich op titelpagina's noemen Ludolph van Ceulen. Volgens Meursius stamden zijn ouders uit aanzienlijke families. Hij meldt dat Van Ceulen na de dood van zijn vader een reis ondernam naar Lijfland. Hierna begaf hij zich naar zijn broeder Gert te Antwerpen. Vervolgens vestigde hij zich te Delft. Hij oefende zich ijverig in geometrie en aritmetica, welke wetenschappen hij ook privaat onderwees. Opmerkelijk is dat Meursius niet het schermen noemt, wat toch in die jaren Van Ceulens voornaamste beroepsbezigheid was. Hij huwde de uit Delft stammende Mariken Jansdr., en toen deze gestorven was, een andere Delftse, Adriaantgen Simonsdr. Uit beide huwelijken had hij in totaal twaalf kinderen. Van Delft verhuisde hij in mei 1594 naar Leiden, waar hij volgens Meursius ook vestingbouw en het meten van bolwerken onderwees. Volgens Meursius in 1599, volgens de resoluties van Curatoren op 10 januari 1600, werd hij op aanbeveling van prins Maurits samen met de landmeter, oud-burgemeester, schepen en tresorier extra-ordinaris Simon Fransz. van Merwen benoemd tot professor in de 'Nederduyt- sche mathematicque'. Maurits wenste dat 'in de Universiteit al- hyer soude worden gedoceert in goeder duytser tale die telkonste ende lantmeten, principalycken tot bevordering van de geenen die hen souden willen begeven tottet ingenieurscap'. Het studie- programma was opgesteld door Simon Stevin. Meursius meldt, dat Van Ceulen die functie elf volle jaren gewetensvol en met lof uitoefende, waarna hij op de laatste dag van december 1610 overleed, na lange tijd geleden te hebben aan een slopende kwaal. Zo begon dus in 1600 de opleiding, die men is gaan noemen de Leidse ingenieursschool. Zij heeft, met een onderbreking van 1679 tot 1701, bestaan tot in het begin van de negentiende eeuw. Na Van Ceulens dood - Van Merwen was reeds begin april 1610 overleden - werden de lessen waargenomen door Frans van Schooten sr. die, ten slotte in 1615 benoemd tot professor, werd opgevolgd door zijn zoons Frans jr. (1646-1660) en Petrus (1661-1679). Mocht Van Ceulen in Delft de kapel van het Prinsenhof, de huidige Waalse kerk, gebruiken voor zijn schermlessen, in Leiden kreeg hij de beschikking over de begane grond van de Faliebagijnenkerk. In het koor van deze kerk, door een muur gescheiden van het schip, was het anatomisch theater gevestigd. In het schip was te halver hoogte een vloer aangebracht. Daaronder was de schermschool van Van Ceulen, erboven de bibliotheek van de universiteit. De lessen in de 'Nederduytsche mathematicque' werden, zeker in Van Ceulens tijd, gegeven in de schermschool. Van Ceulen vestigde zich met zijn grote gezin op de Papengracht ter hoogte van nummer 17a, een huis met een nog bestaande uitgang op het Rapenburg, het poortje tussen de nummers 18 en 20. In 1600 verhuisde de familie naar het Faliede Bagijnhof, naar een dubbel huis op de hoek van Rapenburg en Kloksteeg. Ook Simon Fransz. van Merwen kwam in dit hof te wonen.

R.M.Th.E. Oomes



PI_01klein.jpg(4363 bytes)1 Joannes Meursius, Athenae Batavae, sive De urbe Leidensi et academia, virisque claris, qui utramque ingenio suo, atque scrip- tis, illustrarunt, libri duo. Lugduni Batavorum, apud Andream 

Cloucquium et Elsevirios, 1625.

662 C 10

P. 343 bevat een portret van Van Ceulen, op p. 344-345 staan gegevens over zijn persoon, waaraan hierboven veel is ontleend.


Begin van de pagina


Verder